← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:18943

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.47138, NL25.47895 en NL25.47906 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P. Celikkal), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 27 september 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 1). Verweerder heeft de maatregel van bewaring op grond van 59a van de Vw op 1 oktober 2025 opgeheven. Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (bestreden besluit 2). Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 3). Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De beroepen tegen de bewaringsmaatregelen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Beroep tegen bestreden besluit 1 (NL25.47138) Te late omzetting

  1. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000, omdat hij niet viel onder de Dublinverordening. 1.
  2. Op grond van artikel 59a van de Vw kan verweerder een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van die verordening. 1.
  3. De rechtbank is het met eiser eens dat het dossier geen aanknopingspunt bevat dat eiser onder de reikwijdte van de Dublinverordening viel. Eiser is met een Frans visum (afgegeven op 23 januari 2025) de Europese Unie ingereisd en na verloop van de visumtermijn niet uit de Europese Unie vertrokken. Niet gebleken is dat eiser een asielwens had. De grondslag voor de maatregel van 27 september 2025 is dus niet juist. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze maatregel onrechtmatig is opgelegd en onrechtmatig heeft voortgeduurd tot de opheffing van 1 oktober
  4. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom gegrond. 1.
  5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen schadevergoeding verschuldigd is. De verblijfsrechtelijke positie van eiser was namelijk voor de verbalisant die de maatregel heeft opgelegd onduidelijk vanwege de verklaring van eiser dat hij een huis in Spanje heeft. De verbalisant heeft daarom voorzichtigheidshalve op grond van artikel 59a van de Vw eiser in bewaring gesteld en de eerstvolgende werkdag – na het weekend – contact opgenomen met de AVIM om duidelijkheid te krijgen over eisers verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Dat de verbalisant eisers verblijfsrechtelijke positie niet goed heeft ingeschat, hoewel van een asielwens van eiser niet is gebleken, moet voor rekening en risico van verweerder komen. 1.
  6. Dat betekent dat eiser vanaf 27 september 2025 tot 1 oktober 2025 zonder rechtsgeldige titel zijn vrijheid is ontnomen. Het beroep is gegrond en aan eiser komt een schadevergoeding toe. Beroep tegen bestreden besluit 2 (NL25.47906) Terugkeerbesluit
  7. In het terugkeerbesluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 62 van de Vw de verplichting opgelegd om terug te keren naar Marokko. Verweerder heeft vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c: eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven:3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  8. Eiser betwist de zware grond 3d. Eiser zou wel meewerken aan het vaststellen van zijn identiteit, maar hem is die gelegenheid onvoldoende geboden. Verder betoogt eiser dat verweerder hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten bieden om naar Spanje te kunnen reizen en om aangifte te kunnen doen van de vermissing van zijn vrouw en kind in Europa. 3.
  9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden 4a, 4c en 4d niet heeft bestreden. Deze zware en lichte gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Uit deze gronden kan worden geconcludeerd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder is derhalve op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd eiser een vertrektermijn te onthouden. 3.
  10. De beroepsgrond dat verweerder aan eiser de mogelijkheid had moeten bieden om naar Spanje te vertrekken, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen nu niet is vast komen te staan dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Ook heeft eiser op geen enkel moment kenbaar gemaakt aangifte te willen doen van de vermissing van zijn partner en kind en heeft verweerder daarom bij het vaststellen van een eventuele vertrektermijn daar geen rekening mee kunnen en hoeven houden. Deze beroepsgronden slagen daarom niet. Inreisverbod
  11. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom aan hem een inreisverbod van 2 jaar is opgelegd. Eiser heeft in het gehoor van 1 oktober 2025 aangegeven dat zijn vriendin en hun kind in Nederland zijn. Gelet hierop had een belangenafweging ertoe moeten leiden dat geen inreisverbod werd opgelegd, althans en in ieder geval had verweerder moeten motiveren waarom desondanks een inreisverbod is opgelegd. 4.
  12. Volgens zijn beleid in paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dat een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) betekent. Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt verweerder artikel 8 EVRM-aspecten mee. Eiser heeft in het gecombineerde gehoor naar voren gebracht dat hij op zoek is naar zijn partner en kind, die in Nederland zouden verblijven. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de zorg draagt voor zijn kind, hij heeft zijn kind zelfs nooit gezien. Verder heeft verweerder overwogen dat de partner van eiser illegaal in de Europese Unie verblijft en dat eiser al vier maanden geen contact heeft gehad met zijn vriendin. Verweerder heeft vervolgens overwogen geen reden te zien om geen inreisverbod op te leggen. 4.
  13. Hieruit volgt dat verweerder in het bestreden besluit weldegelijk voldoende en kenbaar heeft gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod is opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Beroep tegen bestreden besluit 3 (NL25.46895) Bewaringsgronden
  14. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c: eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven:3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  15. Eiser betwist de zware grond 3d. 6.
  16. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden 4a, 4c en 4d niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Lichter middel
  17. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hem de mogelijkheid had moeten worden geboden om zelfstandig te vertrekken naar Spanje waar zijn paspoort ligt. 7.
  18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals reeds hiervoor is overwogen, uit de niet betwiste zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt dat er sprake is van een risico op onttrekking. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding heeft moeten zien aan eiser een lichter middel dan een maatregel van bewaring op te leggen. In de verklaring dat eiser op eigen gelegenheid naar Spanje wil vertrekken om zijn paspoort daar op te halen heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel op te leggen, nu op eiser een vertrekplicht naar Marokko rust en niet naar Spanje en eiser heeft verklaard niet naar Marokko te willen. Bovendien beschikt eiser niet over geldige reisdocumenten waarmee hij op eigen gelegenheid naar Spanje kan reizen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen
  19. Eiser voort verder aan dat verweerder niet voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en onvoldoende openheid geeft over de laissez passer-aanvraag die is ingediend bij de Franse autoriteiten. 8.
  20. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser uit Nederland. Uit de door verweerder overgelegde aanbiedingsbrief van 7 oktober 2025 blijkt het volgende. Eiser is op 1 oktober 2025 in bewaring gesteld. Vervolgens heeft op 2 oktober 2025 een vertrekgesprek plaatsgevonden, is er een laissez-passer (lp) aanvraag ingevuld en verzonden naar de lp-kamer en is er een verzoek gedaan aan de Franse autoriteiten om een kopie van het paspoort van eiser aan te leveren. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van die brief en om meer informatie op te vragen over de ingediende aanvraag bij de Franse autoriteiten. Door binnen vijf dagen meerdere vertrekhandelingen te verrichten, handelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend. Ambtshalve toetsing
  21. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647). Conclusie en gevolgen
  22. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 500,-.
  23. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.
  24. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten inzake het beroep tegen bestreden besluit
  26. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden inzake het beroep tegen bestreden besluit 1 tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser inzake het beroep tegen bestreden besluit 1 tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.