RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.2828 en NL24.2829 [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. R. Heringa), en de Minister van Asiel en Migratie , de minister. Procesverloop 1.
- Eiser heeft op 13 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met de besluit van 12 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 december 2022 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser is vrijstelling van het griffierecht verleend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referent, de gemachtigde van eiser en D.P. Navarette als tolk. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond
- Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1968 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 2011 illegaal in Nederland met zijn zoon, referent (geboren op [geboortedatum 2] 1999). Zijn zoon heeft in 2018 de Spaanse nationaliteit verkregen. Eiser heeft op 13 mei 2022 een aanvraag tot afgifte van een verblijfdocument EU/EER ingediend in verband met verblijf bij zijn zoon als migrerend Unieburger. Besluitvorming
- De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser ten laste komt van referent. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij ooit ten laste is gekomen van referent in zijn land van herkomst. Daarnaast heeft eiser ook niet aangetoond dat er sprake is van een situatie van afhankelijkheid die gebaseerd is op de hechte duurzame band tussen beiden. Het is de minister niet gebleken dat minstens één van hen eronder zou lijden wanneer eiser niet bij de referent zou kunnen inwonen. Komt eiser ten laste van referent? 4.
- Eiser voert aan dat hij, in tegenstelling tot wat de minister stelt, wel ten laste komt van zijn zoon, referent. Hij wordt op dit moment volledig financieel door hem onderhouden. Hij heeft in bezwaar weliswaar verklaard dat hij kan gaan werken in zijn familiebedrijf in Colombia als hij terug moeten keren, maar in beroep heeft hij aangegeven dat het bedrijf failliet is gegaan door de coronapandemie. Volgens eiser is het daarom aannemelijk dat hij in Colombia niet in zijn basisbehoefte zal kunnen voorzien en dus materiële ondersteuning van zijn zoon nodig heeft. 4.
- Uit de regelgeving volgt dat wanneer eiser ten laste komt van referent, hij daardoor is aan te merken als familielid van een Unieburger. Uit het beleid van de minister volgt dat wordt aangenomen dat een familielid ten laste komt van een Unieburger als hij op het moment dat het familielid verzoekt om hereniging in het land van herkomst materieel wordt ondersteund door de Unieburger. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn. Uit het beleid van de minister volgt verder dat in een situatie als die van eiser in ieder geval wordt aangenomen dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoefte voorziet. Dat de materiële ondersteuning reëel is, wordt in ieder geval aangenomen als de Unieburger aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst. 4.
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in de uitspraken van 19 april 2016 en 29 november 2023 ingegaan op de arresten Jia en Reyes en heeft daarin overwogen dat uit deze arresten kan worden afgeleid dat uit de enkele omstandigheid dat de referent over een lange periode regelmatig een som geld aan het familielid heeft betaald, niet zonder meer volgt dat de geboden steun ook daadwerkelijk noodzakelijk was om in de basisbehoeften van het familielid te voorzien. Het familielid van de Unieburger moet ook aantonen in welke economische en sociale toestand hij zich in het land van herkomst bevond. De Afdeling heeft verder overwogen dat de noodzaak van financiële ondersteuning volgens het Hof van Justitie kan worden aangetoond met ieder passend middel. 4.
- Uit bovenstaande volgt dat de minister in dit geval bij de aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER moet uitgaan van de fictieve situatie in het land van herkomst om te beoordelen of eiser daar ten laste zou komen van referent. Aangezien het om een aanvraagsituatie gaat, is het aan eiser om de situatie van reële afhankelijkheid met bewijsstukken aannemelijk te maken. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten laste komt van zijn zoon. Eiser heeft niet aangetoond dat het geld dat zijn zoon hem over een lange periode regelmatig heeft betaald, ook daadwerkelijk noodzakelijk zou zijn hem om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien in Colombia. De rechtbank is van oordeel dat de minister zicht terecht op de volgende verklaringen van eiser heeft kunnen baseren. Eiser heeft verklaard dat hij eigendommen (een appartement en een auto) in Colombia had, maar dat hij deze heeft verkocht voordat hij naar Nederland kwam. Eiser heeft ook verklaard dat hij had geïnvesteerd in zijn familiebedrijf in Colombia, waaruit hij (in elk geval tot aan de hoorzitting op 16 maart 2023) rond de € 1.500,- a € 2.000, - per maand ontving. Dit alles samengenomen leidt ertoe dat de minister het niet aannemelijk acht dat eiser zich door zijn sociale en economische situatie in Colombia niet zelf in zijn basisbehoeften zal kunnen voorzien en om die reden materieel zal worden ondersteund door zijn referent. Eiser heeft ook geen bewijsstukken overlegd die zijn standpunt kunnen onderbouwen en/of die van de minister weerleggen. Het feit dat eiser in beroep heeft verklaard dat het familiebedrijf in Colombia door de coronapandemie failliet is gegaan en dat referent heeft verklaard dat hij eiser materieel zal ondersteunen wanneer eiser zou terugkeren naar Columbia, maakt deze conclusie niet anders. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten laste is van zijn zoon. Nu eiser niet ten laste komt van zijn referent, is hij ook geen familielid in de zin van het Vb
- Is er sprake van bijzondere afhankelijkheid? 5.
- In het geval dat eiser niet ten laste komt van zijn zoon, referent, voert hij aan dat op grond van bijzondere afhankelijkheid die er bestaat tussen hem en referent, alsnog een verblijfsdocument EU/EER zou moeten krijgen. Referent heeft daartoe op zitting verklaard dat hij voor zijn vader wil zorgen zoals hij altijd voor hem heeft gezorgd. Referent sluit niet uit dat hij op de lange termijn wel uit huis zou willen gaan, maar referent zou dat pas willen als eiser zelfstandig in Nederland kan wonen. 5.
- Volgens rechtspraak van de Afdeling kan een afhankelijkheidsrelatie tussen een meerderjarige Unieburger en een meerderjarige derdelander op grond van het arrest K.A. grondslag zijn voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. De lat voor het aannemen van afhankelijkheid ligt bij twee meerderjarigen hoog, omdat zij in principe in staat zijn om onafhankelijk van elkaar een leven te leiden. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat weigering van het verblijfsrecht ertoe zal leiden dat de Unieburger gedwongen zal zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Bij volwassenen is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat zich een afhankelijkheidsverhouding voordoet, namelijk in gevallen waarin de betrokkenen, gelet op alle omstandigheden, op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. 5.
- De rechtbank kan zich vinden in het standpunt van de minister dat er geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent dat de volwassenen op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De minister merkt daarbij op dat het duidelijk is dat eiser en referent een bijzondere band hebben. Het feit dat eiser en referent samen in illegaliteit hebben geleefd en dat eiser zowel de vader- als moederrol op zich heeft genomen, is dan ook niet iets dat wordt betwist. Maar dit betekent volgens de minister niet dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheid die leidt tot de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ter onderbouwing wijst de minister op het feit dat referent tussen 2017 en 2019 bij zijn (Spaanse) moeder in de Verenigde Staten heeft gewoond. De minister acht het begrijpelijk dat referent op deze manier rechtmatig verblijf in Nederland beoogde te krijgen. De rechtbank vindt het aannemelijk dat referent niet ononderbroken bij zijn moeder heeft gewoond. Gebleken is dat referent in die tijd zijn vader vaak heeft opgezocht en dat hij veel contact met hem heeft gehouden. Dit toont echter niet aan dat eiser en referent op geen enkele wijze gescheiden van elkaar kunnen worden. Er is in die zin dus geen sprake van bijzondere afhankelijkheid. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat eiser geen verblijfsdocument EU/EER toekomt op grond van deze jurisprudentie. Dit wordt ook niet anders doordat muziek eiser en referent verbindt. 5.
- Nu er geen sprake is van bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en referent, en eiser ook niet ten laste komt van referent betekent dit dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen verblijfsdocument EU/EER, afgeleid van zijn zoon als migrerend Unieburger kan verkrijgen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij kan tegen deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hogerberoepschrift wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Zaaknummer: NL.24.
- Artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van Richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb
- Paragraaf B10/2.2, onder 2.2.4.4.
- van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Artikel 8.7, derde lid van het Vb
- Zie paragraaf B10/2.2, onder 2.2.4.4.
- van de Vc
- Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) van 19 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:
- Uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Zie voor het voorgaande de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1156, en 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.