RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.19551 V-nummers: [v-nummer 1] [v-nummer 2] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [geboortedag 1] 1979, verzoekster mede namens haar minderjarige dochter: [minderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2018, allen van Ghanese nationaliteit, (gemachtigde: mr. J. Werner) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.M. Sidler). Inleiding
- In het besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij [referent] (hierna: referent) afgewezen. 1.
- Verzoekster heeft op 23 juli 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden besluit. Op 25 april 2025 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.
- De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, referent, de gemachtigde van verzoekster, K. Mensa als tolk in de taal Twi en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Achtergrond
- Verzoekster heeft op 9 november 2023 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend voor verblijf bij referent voor haar en haar minderjarige dochter. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit afgewezen omdat verzoekster en referent niet hebben aangetoond dat er een duurzame relatie bestaat tussen hen waarbij in ieder geval gedurende tenminste zes maanden feitelijk is samengewoond. Op 23 juli 2024 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden besluit.
- Op 2 januari 2025 zijn verzoekster en referent met elkaar getrouwd. Op 6 februari 2025 heeft de minister aan verzoekster en referent een brief gestuurd met de mededeling dat negen indicatoren aanleiding geven tot het verrichten van nader onderzoek naar de huwelijkse relatie. Op 12 februari 2025 heeft de gemachtigde van verzoekster een klacht ingediend omdat de minister niet heeft gereageerd op de uiteengezette bezwaren tegen het onderzoek naar het schijnhuwelijk, met name gelegen in de wettelijke grondslag hiervan. Op 13 februari 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Op 17 maart 2025 heeft de minister gereageerd op deze klacht en aangegeven wat volgens haar de wettelijke grondslag vormt voor het onderzoek naar het schijnhuwelijk. Vervolgens heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 23 april 2025 een beroep van verzoekster wegens het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen. Op 25 april 2025 heeft verzoekster gevraagd om bij voorlopige voorziening het door de minister gestarte onderzoek naar het schijnhuwelijk te schorsen. Hierover gaat de huidige procedure. Gronden verzoekster
- Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de minister een simultaan gehoor heeft ingepland op 5 juni
- Volgens verzoekster is er geen wettelijke grondslag voor dit onderzoek en is het daarom onrechtmatig. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij niet mag werken. Het meewerken en achteraf aanvechten van dit onderzoek is volgens verzoekster geen optie voor haar, omdat het kwaad – de inbreuk op haar privé- en familieleven – dan al is geschied en de minister bovendien de resultaten van een onrechtmatig onderzoek volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State toch vaak mag gebruiken. Volgens verzoekster kan dan ook niet van haar verwacht worden dat zij meewerkt aan dit onderzoek. Standpunt van de minister
- De minister stelt zich op het standpunt dat het spoedeisend belang voor toewijzen van deze voorlopige voorziening ontbreekt. De minister ziet dat verzoekster belang heeft bij de beantwoording van de door haar opgeworpen rechtsvraag met betrekking tot het bestaan van een wettelijke grondslag voor het simultaan horen. Verzoekster en referent kunnen ervoor kiezen om niet op de hoorzitting te verschijnen. De rechtsvraag naar de grondslag van het onderzoek kan in dat geval volgens de minister ten volle aan bod komen in de lopende bezwaarprocedure, en indien de beslissing op bezwaar voor verzoekster negatief uitvalt na indiening van een rechtsmiddel in de beroepsprocedure. Ook indien verzoekster en referent ervoor kiezen om wel hun medewerking te verlenen aan een simultaan gehoor, kan verzoekster rechtsmiddelen aanwenden en de bevoegdheidskwestie ter discussie stellen. De minister verwijst voor de grondslag van het onderzoek naar haar brief van 17 maart
- Subsidiair stelt de minister dat het verzoek op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Oordeel van de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dit is gelegen in de wens van verzoekster om vóór het geplande simultane gehoor in het kader van het onderzoek naar het schijnhuwelijk een rechterlijk oordeel te krijgen over de grondslag en rechtmatigheid van dat gehoor. Daarbij is van belang dat de minister tot 18 juni 2025 de tijd heeft om op haar bezwaarschrift te beslissen.
- De voorzieningenrechter zal niet overgaan tot een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ook al heeft verzoekster hier expliciet om gevraagd. Een rechtmatigheidsoordeel van de voorzieningenrechter kan verzoekster immers vanwege het voorlopige karakter niet de gewenste zekerheid geven, die ze zegt nodig te hebben om te beslissen om wel of niet mee te werken aan het geplande simultane gehoor. De voorzieningenrechter acht het niet geraden om zich in de fase van bezwaar al uit te laten over juridische vraagstukken die niet eenduidig zijn te beantwoorden. De keuze om wel of niet naar het simultaan gehoor te gaan is bovendien bij uitstek een keuze van de professionele rechtsbijstandverlener in samenspraak met zijn cliënten. De eventuele gevolgen van die keuze kunnen in rechte worden getoetst in het eventuele beroep tegen de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter zal het oordeel daarom beperken tot een belangenafweging.
- De voorzieningenrechter weegt de volgende belangen. De minister dient binnen de door de rechtbank gestelde termijn te beslissen op het bezwaarschrift van verzoekster en wenst daartoe nader onderzoek te doen naar de aard van het huwelijk. Het belang van verzoekster is erin gelegen dat zij haar medewerking aan een belastend onderzoek wil weigeren, zonder dat het haar wordt tegengeworpen. Het belang van verzoekster weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaar. Verzoekster kan er immers voor kiezen om geen gevolg te geven aan de uitnodiging voor het simultane gehoor. Weliswaar volgt uit artikel 3.29, vijfde lid, van het Vb dat verzoekster en referent gehouden zijn medewerking te verlenen aan het nader onderzoek, maar de minister heeft op de zitting en het verweerschrift aangegeven dat het verzoekster nog steeds vrij staat om het onderzoek te weigeren. De verplichting tot medewerking vervalt bovendien indien vast zou komen te staan dat voor het onderzoek geen grondslag bestaat. Voorts valt op voorhand niet te voorzien of medewerking aan het onderzoek tot een nadelig besluit voor verzoekster zal leiden. Het onderzoek kan immers ook aantonen dat geen sprake is van een schijnhuwelijk, zoals verzoekster en referent stellen. Mocht het onderzoek achteraf onrechtmatig worden bevonden, dan kan verzoekster indien zij meent schade te hebben geleden om een schadevergoeding vragen. Verder weegt voor de voorzieningenrechter zwaar dat verzoekster ook met een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geen zekerheid heeft dat haar keuze om wel of niet aan het onderzoek mee te werken zonder gevolgen blijft. Een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bindt de bodemrechter immers niet. Verzoekster heeft ook gesteld dat zij niet mag werken zo lang zij niet in het bezit is van een verblijfsdocument. Dit weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaar, omdat een voorlopige voorziening is gevraagd hangende de bezwaarprocedure en de minister uiterlijk op 18 juni 2025 op het bezwaar moet beslissen. Concluderend is de voorzieningenrechter, gelet op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de belangenafweging daarom in het voordeel van de minister uitvalt. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Europese Unie/ Europese Economische Ruimte. NL25.
- Zie de verwijzingen naar de uitspraken van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3567; 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4673; ABRvS 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2248 en 31 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- Vreemdelingenbesluit 2000.