← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19011

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/13552 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , verzoekster, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. N.B. Swart) en de minister van Asiel en Migratie , de minister. Procesverloop

  1. Verzoekster heeft op 30 juni 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 11 februari 2017 om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
  2. Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister verzoekster uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleend.
  3. Verzoekster heeft vervolgens op 24 juli 2025 haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
  4. De minister heeft gereageerd op het verzoek.
  5. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank
  6. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
  7. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  8. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
  9. De minister heeft op 13 juni 2025 een digitale ingebrekestelling van verzoekster ontvangen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze digitale ingebrekestelling geldig is en overweegt daartoe als volgt.
  10. Een bestuursorgaan heeft de bevoegdheid de elektronische weg op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb al dan niet open te stellen voor bepaalde soorten aanvragen, verzoeken of handelingen en daarbij nadere eisen te stellen aan het gebruik van de elektronische weg. De minister kan dus bepalen dat ingebrekestellingen al dan niet elektronisch kunnen worden ingediend. Daarbij volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer) (hierna: MvT) dat de minister bij het openstellen van de elektronische weg mag differentiëren tussen verschillende type berichten. Ook volgt uit de MvT dat de enkele beschikbaarheid van een elektronische adres nog niet betekent dat daarmee de elektronische weg openstaat voor alle mogelijke handelingen. Verder volgt uit het vierde lid van artikel 2:15 van de Awb dat de minister een weigering van een digitale ingebrekestelling op grond van dat artikel, zo spoedig mogelijk aan de afzender moet meedelen.
  11. De rechtbank stelt vast dat de minister de elektronische weg voor ingebrekestellingen heeft opengesteld maar wel nadere eisen heeft gesteld aan het gebruik van de elektronische weg. Bij brief van 20 juni 2025 heeft de minister verzoekster erop gewezen dat de ingebrekestelling van 13 juni 2025 niet op de juiste wijze is ingediend. Aangegeven is dat een ingebrekestelling per post of via ‘veilig mailen’ op www.ind.nl moet worden ingediend. Hiermee heeft de minister verwezen naar de procedure voor het juist indienen van een ingebrekestelling. Er is tevens vermeld dat een ingebrekestelling die via een andere weg is ingediend, niet geldig is en dat deze niet behandeling wordt genomen. Verzoekster heeft in casu niet de procedure gevolgd zoals in de brief van 20 juni 2025 is uiteengezet. Hierdoor is de ingebrekestelling langs de verkeerde weg ingediend. Verzoekster heeft de ingebrekestelling niet nogmaals ingediend per post of via ‘veilig mailen’ op de voorgeschreven wijze. De rechtbank stelt vast dat de minister hiermee aan de vereisten van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb heeft voldaan en de onjuist ingediende ingebrekestelling heeft kunnen weigeren. Dit betekent dat de ingebrekestelling van verzoekster van 13 juni 2025 niet geldig is.
  12. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2025 door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het niet eens bent met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  13. Tweede Kamer, vergaderjaar 2001/2002, 28 483, nr. 3, pagina 12.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.