← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19168

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7721 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , Duitsland, eiseres (gemachtigde: [naam 1] ), en de korpschef van politie, namens deze de politiechef van eenheid Midden-Nederland, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit op haar verzoek op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). 1.
  2. Met het besluit van 22 maart 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres gedeeltelijk toegewezen. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft verweerder stukken aan de rechtbank gezonden met een verzoek om beperkte kennisneming. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend de stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak SGR 24/
  5. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  6. Op 23 september 2023 heeft eiseres verweerder verzocht om een afschrift van haar volledige dossier dan wel alle persoonsgegevens van haar die door verweerder zijn verwerkt vanaf 6 mei 2021 tot aan de datum van het verzoek. Met persoonsgegevens bedoelt zij ook politiegegevens en andere bijzondere persoonsgegevens. Het verzoek is gebaseerd op onder meer de AVG, de Wet politiegegevens (Wpg), de Wet open overheid (Woo) en verschillende internationale verdragen. Daarnaast heeft eiseres verweerder meerdere vragen gesteld met betrekking tot het opslaan en verwerken van haar gegevens. 2.
  7. Verweerder heeft het verzoek met toepassing van verschillende wettelijke kaders behandeld. Met een afzonderlijk besluit van 22 maart 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres op grond van de AVG gedeeltelijk toegewezen. In de zaak SGR 24/7721 beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen dat besluit. 2.
  8. Met het besluit van 22 maart 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres op grond van de Wpg gedeeltelijk toegewezen. In het besluit heeft verweerder een overzicht gegeven van alle registraties en meldingen met betrekking tot eiseres over de periode van 6 mei 2021 tot en met 26 september
  9. Eiseres mag deze registraties gedeeltelijk inzien, met uitzondering van bepaalde gegevens. Verweerder heeft inzage in die gegevens geweigerd, omdat de weigeringsgronden uit artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wpg zich daartegen verzetten. Eiseres wordt in het besluit de mogelijkheid geboden een afspraak te maken om op het kantoor van verweerder inhoudelijk kennis te nemen van de gegevens die niet geweigerd zijn. Ook heeft verweerder in het besluit de vragen van eiseres beantwoord. Op 25 juni 2024 heeft eiseres gedeeltelijk inzage gekregen in de politiegegevens. 2.
  10. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat eiseres zich grote zorgen maakt over de wijze waarop verweerder persoonsgegevens verzamelt en verwerkt. Het is voor burgers erg moeilijk om het handelen van de overheid te controleren. De gemachtigde van eiseres heeft in dat kader onder meer naar het rapport ‘Blind Vertrouwen?’ van de Nationale Ombudsman verwezen. 2.
  11. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het verzoek van eiseres is gedaan binnen een bredere context, kan zij binnen deze beroepsprocedure enkel beoordelen of verweerder in dit geval op juiste wijze heeft gehandeld. De uitspraak zal zich daartoe dan ook beperken. Wat vindt eiseres in beroep?
  12. Eiseres betoogt dat de voorwaarde dat zij zich bij de inzage uitsluitend mocht laten vergezellen door een advocaat in strijd is met de wet en tevens het beginsel van fair play schendt. Zij verzoekt de rechtbank te bepalen dat zij opnieuw inzage krijgt en dat haar gemachtigde daarbij aanwezig mag zijn. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres het besluit onvoldoende gemotiveerd door te volstaan met een beschrijving van de zoekslag in algemene termen. Het is eiseres daardoor niet duidelijk hoe er in dit specifieke geval door verweerder is gezocht. Dit maakt dat zij twijfelt aan de volledigheid van de aangetroffen registraties. Eiseres verzoekt de rechtbank dan ook om een forensisch deskundige te benoemen en nader onderzoek in te stellen. Tot slot stelt eiseres dat inzage gedeeltelijk is geweigerd en verweerder op grond van artikel 27 van de Wpg passages heeft gelakt. Eiseres heeft de rechtbank verzocht na te gaan of verweerder dit op goede gronden heeft gedaan. Wat zijn de regels?
  13. De voor de beoordeling van het beroep relevante wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  14. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder om eiseres gedeeltelijk inzage te geven in haar politiegegevens. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
  15. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Mocht verweerder de aanwezigheid van de gemachtigde van eiseres bij de inzage weigeren?
  16. De rechtbank overweegt dat uit artikel 26, derde lid, van de Wpg volgt dat alleen een advocaat inzage kan krijgen namens eiseres. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit anders is als eiseres zelf inzage wil krijgen en iemand wil meenemen om haar bij te staan. Dat het artikel alleen zou zien op het indienen van het verzoek en niet de inzage is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. In dit verband wijst de rechtbank op de wetsgeschiedenis. Hieruit blijkt dat me het bepaalde in artikel 26 van de Wpg inhoudelijk is aangesloten bij artikel 20, tweede en derde lid van de Wet politieregisters en artikel 20 eerste, tweede en vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In de Memorie van Toelichting bij die laatste wet staat dat met het vereiste, dat de advocaat de uitsluitende bedoeling moet hebben om de belangen van zijn cliënt te behartigen, wordt beoogd het personen of instanties onmogelijk te maken om via een omweg de beschikking te krijgen over gegevens uit het justitiële documentatieregister van een persoon waarmee men een bepaalde (zakelijke) relatie heeft of juist wil aangaan. De rechtbank overweegt dat gelet op het met de bepaling te beschermen belang, namelijk dat de informatie over betrokkene niet zomaar door anderen kan worden ingezien, artikel 26 van de Wpg zo met worden uitgelegd dat ook een betrokkene die zelf inzage krijgt zich alleen kan laten bijstaan door een advocaat, die de uitsluitende bedoeling heeft om de belangen van zijn cliënt te behartigen. Het zou tegen de bescherming van de privacy van de betrokkene indruisen als anderen dan betrokkene zelf of diens advocaat de verwerkte gegevens zouden mogen inzien. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de wettekst specifiek ‘advocaat’ wordt genoemd en niet ‘gemachtigde’. Aangezien de gemachtigde van eiseres geen advocaat is, mocht verweerder zijn aanwezigheid bij de inzage weigeren. Van strijd met de wet of schending van het beginsel van fair play is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om een nieuwe inzage te gelasten waarbij haar gemachtigde aanwezig mag zijn dan ook af. 7.
  17. De rechtbank wijst ook het verzoek van eiseres af om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in een andere hogerberoepszaak waarin dezelfde kwestie aan de orde is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Bovendien is het op dit moment onduidelijk op welke termijn die uitspraak zal worden gedaan. Is de zoekslag voldoende duidelijk beschreven in het bestreden besluit?
  18. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht hoe het Wpg-verzoek van eiseres is behandeld. Hiervoor heeft verweerder de interne werkinstructie ‘Handleiding Rechten van Betrokkene – Versie 22 mei 2019’ gevolgd. In lijn met de werkinstructie is er gezocht in de (registratie)systemen BVI-IB, DIAS, BVH, BlueSpot Monitor, Amazone, de Landelijke Service Module, Summ-IT en Blueview. In BVI-IB, BlueSpot Monitor, Amazone en de Landelijke Service Module worden gegevens verwerkt in het kader van de dagelijkse politietaak. In Summ-IT zijn politiegegevens opgenomen die worden verwerkt voor een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval. In Blueview worden beide soorten politiegegevens opgenomen dan wel verwerkt. In deze systemen is door verweerder gezocht naar politiegegevens met zoektermen die gerelateerd zijn aan de persoonsgegevens van eiseres, zoals haar naam en BSN-nummer. Ook is er gezocht met een zogeheten keno-sleutel. Dat betekent dat er ook is gezocht naar registraties waaraan eiseres niet met een bepaalde rol is gekoppeld. Daarnaast heeft verweerder de privacydesk nog 33 aanvullende uitvragen laten doen, zoals vermeld in het besluit. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat een binnengekomen verzoek wordt behandeld door medewerkers van de privacydesk, dit zijn veelal juristen. Zij doen vervolgens een uitvraag bij de organisatieonderdelen waar de verzochte informatie zich bevindt. Vervolgens pakt een zogenaamde ‘poortwachter’ het verder op. Degene die de zoekslag uitvoert, hoeft zelf dus niet over de hoogste autorisatie te beschikken, aangezien de informatie wordt uitgevraagd bij medewerkers die wél toegang hebben tot de betreffende informatie. 8.
  19. De rechtbank acht de beschrijving van verweerder van de uitgevoerde zoekslag voldoende inzichtelijk. Verweerder heeft uiteengezet welke procedure is gevolgd en op basis van welke gegevens is gezocht. Ook is beschreven welke informatiesystemen zijn doorzocht en bij welke organisatieonderdelen informatie is uitgevraagd. Van een motiveringsgebrek is derhalve geen sprake. Is het aannemelijk dat er meer politiegegevens zijn?
  20. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een werkingsverantwoordelijke stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig overkomt, is het in beginsel aan degene die om gegevens verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, bepaalde gegevens toch onder dat bestuursorgaan berusten. 9.
  21. Op de zitting heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiseres gevraagd of eiseres aanwijzingen heeft dat er nog meer politiegegevens van haar bij verweerder zijn. Daarop heeft de gemachtigde geantwoord dat eiseres over documenten beschikt waaruit dat zou blijken. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze documenten niet heeft overgelegd en zich evenmin bereid heeft verklaard deze alsnog te overleggen. Ook heeft eiseres niet nader toegelicht wat voor documenten dit zouden zijn of de inhoud daarvan medegedeeld. Daarnaast heeft eiseres geen specifieke documenten genoemd die missen, of andere concrete aanknopingspunten genoemd die erop wijzen dat de zoekslag van verweerder onvolledig is geweest. De door eiseres geuite algemene twijfels over de integriteit van verweerder bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval sprake is van onzorgvuldig handelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder over meer politiegegevens van eiseres zou beschikken dan door verweerder is aangegeven. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om een forensisch deskundige te benoemen. Het verzoek van eiseres daartoe wordt afgewezen. Mocht inzage in bepaalde politiegegevens worden geweigerd?
  22. Het recht op inzage van politiegegevens is geen absoluut recht. Het kan worden beperkt vanwege zwaarder wegende belangen, zoals het belang van derden. Daarbij dient het belang van de betrokkene op kennisneming te worden afgewogen tegen het belang om dat te weigeren. De gelijksoortigheid van gegevens kan echter met zich meebrengen dat niet per gegeven hoeft te worden gemotiveerd of en waarom het belang als bedoeld in artikel 27 van de Wpg zich tegen kennisneming verzet. 10.
  23. Verweerder heeft de inzage gedeeltelijk geweigerd, omdat dit noodzakelijk is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten. De geweigerde passages en/of stukken zouden volgens verweerder inzicht geven in de werkwijze en informatiepositie van het Team Openbare Orde en Inlichtingen (TOOI). Kerntaak van het TOOI is het heimelijk inwinnen van openbare orde informatie en het in kaart brengen van (groepen) personen die in georganiseerd verband op heimelijke wijze acteren en die van invloed kunnen zijn op de openbare orde. Het geven van inzage in de werkwijze en methodieken van het TOOI zouden mogelijk de informatie-winning en daarmee de opsporing belemmeren. Daarnaast heeft verweerder inzage in de gegevens van derden geweigerd ter bescherming van hun privacy. 10.
  24. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die verweerder onder geheimhouding heeft ingediend en is van oordeel dat verweerder zich met de voorgaande motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigeringsgronden van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wpg zich inderdaad verzetten tegen het geven van volledige inzage in de bewuste registraties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze weigeringsgronden daarom op goede gronden aan de (gedeeltelijke) weigering ten grondslag gelegd. Verweerder was ook niet gehouden om per politiegegeven een motivering te geven nu een motivering per gegeven, gezien de gelijksoortigheid van de niet verstrekte gegevens, vaak leidt tot een herhaling van zetten die geen redelijk doel dient. Ten aanzien van het griffierecht
  25. Volgens eiseres heeft zij slechts één verzoek ingediend en heeft verweerder daarop vervolgens drie afzonderlijke besluiten genomen. Dit heeft ertoe geleid dat zij voor elk besluit afzonderlijk beroep moest instellen en dus ook meerdere keren griffierecht moest betalen. Eiseres acht dit onredelijk en verzoekt de rechtbank – in het geval haar beroep ongegrond wordt verklaard – het griffierecht eenmaal terug te storten, nu er feitelijk slechts sprake was van één verzoek. 11.
  26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar verzoek zodanig breed geformuleerd en daarbij verwezen naar meerdere wettelijke kaders – waaronder de AVG, de Wpg en de Woo – dat verweerder dit mocht beschouwen als drie afzonderlijke verzoeken. Bovendien geldt voor elk van deze verzoeken een eigen wettelijke regeling met wettelijke procedures. Dat verweerder hiervoor afzonderlijke besluiten heeft genomen en dat voor elk beroep vervolgens griffierecht verschuldigd is geweest, acht de rechtbank dan ook gerechtvaardigd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het griffierecht geheel of gedeeltelijk te retourneren. Conclusie en gevolgen
  27. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei
  28. De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: wettelijke regels Wet politiegegevens Artikel
  29. (recht op inzage)
  30. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
  31. De verwerkingsverantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale eenheden of bij de landelijke eenheid van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Artikel
  32. (formaliteiten)
  33. Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 25 en 28 draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke redenen heeft om te twijfelen aan de identiteit van de persoon die het verzoek doet, kan hij de nodige aanvullende informatie vragen ter bevestiging van de identiteit van de betrokkene.
  34. De verzoeken ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden worden gedaan door hun wettelijk vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijk vertegenwoordigers.
  35. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. De verantwoordelijke kan aan de bijzondere machtiging eisen stellen. Artikel
  36. (uitzonderingen)
  37. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is: (…) b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen; (…) d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden; (…)
  38. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en bevat de redenen voor de afwijzing.
  39. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste lid, wordt afgewezen als het verzoek de gegevens betreft, die worden verwerkt bij of krachtens artikel
  40. Op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg). Artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Deze uitspraak is gedaan op 9 mei
  41. Nationale Ombudsman, Blind vertrouwen? Een onderzoek naar CTER-registraties en de impact ervan op het leven van burgers, 2024/098, 12 november
  42. Kamerstukken II, 2005-2006, 30327 nr.
  43. Kamerstukken II, 1995-1996, 24797 nr.
  44. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  45. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  46. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2568 en Kamerstukken II, 2017/18, 34 889, nr. 3, p.
  47. Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg. Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:224.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.