RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.14741 V V-nummer: [V nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposante] , geboren op [geboortedatum 1] 1979, met de Jemenitische nationaliteit, opposante (gemachtigde: mr. C.J. Ullersma), tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2025 in het geding tussen opposante en de minister van Asiel en Migratie , de minister. Inleiding 1.1 Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.2 De rechtbank heeft het verzet op 1 mei 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposante heeft hieraan deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2.1 De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 januari 2025 terecht is geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2.
- De toetsing in de verzetsprocedure van de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan moet geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie. In verzet kunnen argumenten naar voren gebracht worden die ook in geval van de normale behandeling naar voren konden worden gebracht. Indien die argumenten doen twijfelen aan de zaak, dan is het verzet gegrond. 2.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep van opposante 3.
- Op 21 september 2020 heeft opposante, gezamenlijk met haar zonen en dochter, een asielaanvraag gedaan om met haar zoon [naam 1] (hierna: referent) in Nederland herenigd te worden. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel, welke aan hem is verleend bij het besluit van 19 augustus 2020, met ingang van 2 september
- 3.
- De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 maart 2021 afgewezen omdat referent niet als jongvolwassene kan worden aangemerkt. Daarnaast bestaat er volgens de minister ook geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en opposante. Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De uitspraak van 22 januari 2025
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat kan de rechtbank doen als het oordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de gemachtigde van opposante (hierna: de gemachtigde), nadat haar herstelverzuim was geboden, pas op 10 mei 2025 gronden van beroep heeft ingediend, terwijl de termijn om gronden in te dienen op 6 mei 2025 afliep. De gemachtigde heeft de rechtbank geen uitleg gegeven over haar termijnoverschrijding. Het toetsingskader 5.
- Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt kan de rechtbank, na een herstelmogelijkheid te hebben geboden, het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. 5.2 Hoewel artikel 6:6 van de Awb een discretionaire bevoegdheid bevat, gaat deze bepaling over vormverzuimen en het bieden van een gelegenheid om deze te herstellen. Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid kan in het kader van artikel 3:4, tweede lid van de Awb alleen een belangenafweging plaatsvinden van enerzijds het belang van een goed verloop van de procedure en anderzijds bijzondere omstandigheden aan de zijde van de indiener in relatie tot het verzuim. Daaronder vallen echter geen belangen die verband houden met de inhoud van de zaak. Het oordeel van de rechtbank 6.
- Het staat in deze zaak niet ter discussie dat de gemachtigde de gronden van het beroep te laat heeft ingediend. Ook is niet in geschil dat de rechtbank opposante een herstelmogelijkheid heeft geboden in de zin van artikel 6:6 van de Awb. 6.
- De gemachtigde voert in haar verzetschrift aan dat zij er altijd vanuit is gegaan op 1 mei 2025 de gronden te hebben ingediend. Dit is de datum die genoemd staat op de gronden van beroep en ook terug te vinden is in haar agenda. Toen zij op 10 mei 2025 ging controleren of het griffierecht wel was betaald, merkte zij op dat er geen gronden in het digitale dossier stonden. In plaats van op dat moment alarm te slaan, heeft zij de gronden (nogmaals) ingediend. De gemachtigde kwam pas achter de uitkomst van de beroepsprocedure toen de buiten zitting uitspraak bij haar op de mat viel, ruim zeven maanden later. 6.
- Als bijzondere omstandigheid en reden voor deze termijnoverschrijding heeft de gemachtigde op de zitting naar voren gebracht dat in de week van 10 mei 2025 de vader van haar jongste kantoorgenoot onverwachts is overleden. Het kantoor van de gemachtigde is een kleinschalig kantoor waar slechts vijf advocaten werken. De impact van deze gebeurtenis was zeer groot. Achteraf gezien is dit volgens de gemachtigde een verklaring waarom zij geen alarm heeft geslagen toen zij op 10 mei 2025 de gronden van beroep niet in het dossier zag staan. De gemachtigde benadrukt in haar verzetschrift dat de gronden wel te laat, maar uiteindelijk vanaf 10 mei 2025 altijd aanwezig zijn geweest in het dossier. Als zij had geweten dat zij de gronden te laat had ingediend, had zij direct contact met de rechtbank opgenomen om de situatie nader toe te lichten. Als laatste en zwaarwegendste grond voert zij aan dat de gevolgen van de termijnoverschrijding in dit geval onevenredig hard zijn voor opposante en haar gezin. Vanwege de termijnoverschrijding wordt een gezin de kans op een rechterlijke toets ontnomen. Het indienen van een nieuwe aanvraag heeft geen zin, nu de minister deze aanvraag af zal doen op een herhaalde aanvraag omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Al deze omstandigheden in samenhang bezien, is volgens de gemachtigde reden om haar minimale termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. 6.
- De rechtbank overweegt dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Zoals hiervoor weergegeven kunnen belangen die verband houden met de inhoud van de zaak bij de toepassing van artikel 6:6 van de Awb geen rol spelen. Dat er voor opposante en haar gezin veel op het spel staat, volgens de gemachtigde het meest zwaarwegende argument, is daarom niet van doorslaggevende betekenis. Toch is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval bijzondere omstandigheden aan de zijde van de indiener zijn in relatie tot het verzuim, gelet op de toelichting die de gemachtigde op zitting heeft gegeven over het plotselinge overlijden van de vader van haar kantoorgenoot, wat veel impact had. Verder betrekt de rechtbank dat het in deze zaak gaat om een termijnoverschrijding van vier dagen. De gemachtigde moest de gronden immers uiterlijk op 6 mei 2024 indienen en heeft dat op 10 mei 2024 gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de betrekkelijk korte duur van de overschrijding in combinatie met de toelichting die gemachtigde op zitting heeft gegeven, omstandigheden zijn die het niet herstellen van het verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn rechtvaardigen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de minister niet op de zitting aanwezig was en dus geen standpunt naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij in zijn procespositie is geschaad. Niet valt dus in te zien welk nadeel de minister heeft geleden door het te laat indienen van de gronden. Kortom, het toelaten van de te laat ingediende gronden kruist in dit geval niet het belang van een goed verloop van de procedure. Het verzet slaagt. Conclusie en gevolgen
- Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 22 januari 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
- Omdat het verzet gegrond is veroordeelt de rechtbank de minister in de door opposante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907, - (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het verzet gegrond; - veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 907, -. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Het beroep is ook ingesteld namens de kinderen van opposante: [naam 2] , geboren [geboortedatum 2] 2004, [naam 3] , geboren [geboortedatum 3] 2008 en [naam 4] , geboren [geboortedatum 4]
- Omdat de rechtbank in de uitspraak van 22 januari 2025 alleen melding heeft gemaakt van opposante, zal de rechtbank dat in deze verzetzaak ook doen. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Zie in dat verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2661.