← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19283

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/13647, AWB 24/13648, AWB 24/70 en AWB 24/319 V-nummer: [V nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 10 juli 2025 in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan op grond van het arrest Chavez-Vilchez voor verblijf bij referent nimmer heeft bestaan wegens fraude. Ook gaat de uitspraak over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning. Ook is aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  3. Op 1 augustus 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER in het kader van het arrest Chavez-Vilchez. Deze aanvraag is met het besluit van 11 maart 2019 ingewilligd.
  4. In het besluit van 17 maart 2023 (het primaire besluit I) is vastgesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op grond van arrest Chavez-Vilchez voor verblijf bij referent ( [naam 1] ) op 8 mei 2019 van rechtswege is geëindigd. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen op 14 april 2023 bezwaar gemaakt. Op 14 april 2023 heeft eiser ook een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] ’ ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juli 2023 (het primaire besluit II) afgewezen, omdat eiser niet voldoende heeft aangetoond dat er tussen hem en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) sprake is van een duurzame- en exclusieve relatie. De bewijsstukken zijn te summier dan wel niet objectiveerbaar. Aanvullend is overwogen dat niet is aangetoond dat het inkomen van [naam 2] voldoende is in de zin van de Vreemdelingenwet.
  5. Met het bestreden besluit van 8 december 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser heeft de minister, in tegenstelling tot wat in het primaire besluit I staat, geconcludeerd dat het verblijfsrecht niet van rechtswege is geëindigd op 8 mei 2019, maar dat het verblijfsrecht nimmer heeft bestaan wegens fraude. Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard.
  6. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 (het bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Omdat is vastgesteld dat eiser nimmer verblijfsrecht heeft gehad wegens fraude, moet eiser beschikken over een mvv. Niet gebleken is dat eiser in het bezit is van een geldige mvv of is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Bovendien is geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
  7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten. Ook heeft hij verzocht om voorlopige voorzieningen. 6.
  8. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 23 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en N. Adutwumwaa als tolk. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Fraude-zaak 7.
  9. De minister heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser vanwege frauduleuze handelingen een verblijfsrecht heeft gekregen. De minister is tot deze conclusie gekomen onder andere omdat is gebleken dat eiser niet de vader is van [naam 1] en de moeder van [naam 1] in september 2019 – vlak na het verbreken van de gestelde relatie met eiser – nogmaals een kind heeft gekregen met de biologische vader van [naam 1] . Daaruit volgt volgens de minister dat de moeder van [naam 1] in ieder geval een relatie had met de biologische vader van [naam 1] . Ook heeft eiser enerzijds verklaard niet te hebben geweten dat de moeder van [naam 1] zwanger was tijdens het verbreken van de gestelde relatie, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij wel op de hoogte was van haar zwangerschap. Dergelijke tegenstrijdige verklaringen doen volgens de minister afbreuk aan de betrouwbaarheid ervan. Verder vindt de minister het bevreemdend dat eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar niet in staat was het adres te noemen waar hij stelt tweeëneenhalf jaar te hebben samengewoond met de moeder van [naam 1] . Ook heeft de minister eiser tevergeefs gevraagd om bewijsstukken van de relatie met de moeder van [naam 1] . De stelling van eiser dat hij geen bewijs kan overleggen omdat zijn telefoon is gestolen, wordt niet gevolgd onder andere omdat tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiser foto’s op zijn telefoon heeft staan die teruggingen tot
  10. Gelet hierop is de minister tot de conclusie gekomen dat de erkenning van [naam 1] door eiser slechts tot doel heeft gehad om het verblijfsrecht van eiser in Nederland veilig te stellen. 7.
  11. Eiser voert kort gezegd aan dat geen sprake is van frauduleuze handelingen op grond waarvan eiser verblijfrecht verkreeg. Eiser heeft een liefdesrelatie met de moeder van [naam 1] gehad en heeft ook met haar samengewoond. Er waren voor eiser geen enkele aanwijzingen dat de moeder van [naam 1] tijdens het samenwonen met eiser een andere relatie had. 7.
  12. De rechtbank overweegt dat de bewijslast van fraude op de minister rust. De rechtbank is van oordeel dat de door de minister genoemde omstandigheden het vermoeden van fraude voldoende heeft gemotiveerd. Uit de omstandigheid dat de moeder van [naam 1] tijdens de gestelde relatie met eiser tweemaal een kind heeft gekregen met een andere man, volgt dat zij vermoedelijk een relatie had met de biologische vader van haar kinderen. Ook heeft de minister het vreemd mogen vinden dat eiser het juiste adres niet kon opnoemen en dat hij wisselend heeft verklaard over zijn wetenschap van de tweede zwangerschap van de moeder van [naam 1] . Het is dan ook aan eiser om het vermoeden van fraude te weerleggen. 7.
  13. Eiser heeft daarvoor de volgende stukken overgelegd: foto’s, een drietal verklaringen van bekenden van eiser die hij sinds 2016 kent en bevestigen dat hij een relatie heeft gehad met de moeder van [naam 1] , een proces-verbaal van aangifte inzake de diefstal van zijn mobiele telefoon en een beschikking van de rechtbank Amsterdam betreffende de vernietiging van de erkenning van [naam 1] . Ook voert eiser aan dat hij aanwezig was bij de bezoeken aan het [bedrijf] . Eiser heeft aangegeven dat hij verder geen foto’s heeft omdat hij zijn telefoon is kwijtgeraakt. De rechtbank is van oordeel dat voorgaande stukken onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat eiser heeft samengewoond en een affectieve relatie heeft gehad met de moeder van [naam 1] . De omstandigheid dat eiser aanwezig was bij de bezoeken aan het [bedrijf] is geen bewijs van het bestaan va een affectieve relatie met de moeder van [naam 1] . Ook kunnen de verklaringen van derden op zichzelf niet dienen als bewijs van het bestaan van de relatie. Verder heeft eiser enkel foto’s overgelegd uit de periode voorafgaande aan de aanvraag van zijn verblijfrecht in
  14. Eiser heeft nagelaten bewijs van het daadwerkelijk bestaan van een affectieve relatie met de moeder van [naam 1] te overleggen. Dit had hij onder andere kunnen doen door bijvoorbeeld whatsappgesprekken tussen hen beiden over te leggen. De stelling van eiser dat hij zijn telefoon is kwijtgeraakt doet daar niet aan af. Het is immers aan eiser om het vermoeden van fraude te weerleggen en daarin is hij niet geslaagd. 7.
  15. Gelet op voorgaande heeft de minister voldoende gemotiveerd dat sprake is geweest van frauduleus handelen van eiser om zijn verblijfsrecht in Nederland veilig te stellen. De minister heeft de conclusie mogen trekken dat eisers verblijfsrecht nimmer heeft bestaan. Verblijf bij partner Heeft verweerder het mvv-vereiste mogen tegenwerpen? 8.
  16. De minister heeft de aanvraag van eiser voor verblijf bij mevrouw [naam 2] afgewezen omdat eiser nimmer heeft beschikt over een eerder verblijfsrecht en daarom moet beschikken over een mvv. Eiser beschikt niet over een geldige mvv en komt volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling daarvan. Eiser heeft namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een exclusieve en duurzame relatie met mevrouw [naam 2] . 8.
  17. Eiser voert aan dat geen sprake is van frauduleuze handelingen in de procedure over het Chavez-verblijfsrecht. Zo lang er niet onherroepelijk is beslist dat eiser op grond van fraude verblijfsrecht heeft verkregen, mag de minister daar niet van uitgaan. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat gelet op het voorgaande de minister het mvv-vereiste niet mag tegenwerpen. Subsidiair voert eiser aan dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat hij daarom had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser stelt dat hij zijn relatie met [naam 2] met verschillende bewijsstukken heeft aangetoond. Er zijn foto’s en verklaringen van [naam 2] en derden overgelegd. Er is volgens eiser sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de bewijzen onvoldoende zwaar laten meewegen. 8.
  18. Zoals hierboven geconcludeerd heeft het verblijfsrecht van eiser nimmer bestaan, daarom mocht de minister het mvv-vereiste tegenwerpen bij de aanvraag van [naam 2] . 8.
  19. De rechtbank is als eerste van oordeel dat de minister het mvv-vereiste aan eiser mocht tegenwerpen. Zoals hiervoor overwogen onder 7.4 en 7.5 heeft de minister de conclusie mogen trekken dat eiser verblijfsrecht heeft verkregen door frauduleuze handelingen en heeft de minister mogen concluderen dat het verblijfsrecht van eiser nimmer heeft bestaan. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft mogen vaststellen dat eiser niet op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser te weinig stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van het bestaan van en duurzame en exclusieve relatie. Vooropgesteld wordt dat de kwaliteit van de relatie niet ter toetsing staat. Toch mag van een liefdesrelatie worden verwacht dat die een zekere intensiteit heeft die verder gaat dan slechts een vriendschappelijke relatie. Eiser heeft schriftelijke verklaringen van derden en foto’s overgelegd. Uit de overgelegde foto’s en verklaringen blijkt niet dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De foto’s zijn slechts momentopnamen die niet veel zeggen over de duur van en de invulling die wordt gegeven aan de relatie. Verklaringen van derden kunnen niet beschouwd worden als objectieve bewijsstukken en eiser heeft geen andere bewijsstukken overgelegd die als objectief bewijs kunnen worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister op grond van het voorgaande stellen dat de duurzame en exclusieve relatie onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De minister heeft eiseres daarom terecht niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vreemdelingenbesluit
  20. 8.
  21. Nu de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie en dat daarom geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, was de minister niet gehouden om een belangenafweging te maken. Hardheidsclausule 9.
  22. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met de hardheidsclausule, omdat niet al zijn persoonlijke omstandigheden zijn meegewogen bij de belangenafweging. Eiser voert aan dat hij al lange tijd een relatie heeft met [naam 2] , een sterk sociaal netwerk in Nederland heeft opgebouwd en actief is in het arbeidsproces. 9.
  23. De rechtbank overweegt dat eiser ook op zitting niet concreet heeft gemaakt welke persoonlijke omstandigheden niet zijn betrokken bij de beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule. Uit paragraaf B1/4.1 van de Vc volgt dat de minister de hardheidsclausule in ieder geval toepast als aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ wordt voldaan, afgezien van het mvv-vereiste. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en [naam 2] , waardoor de minister ook heeft mogen aannemen dat er geen familieleven is tussen eiser en [naam 2] . Hierdoor voldoet eiser dus niet aan alle voorwaarden van de verblijfsvergunning. De minister heeft daarom mogen vaststellen dat ook de hardheidsclausule geen aanleiding vormt om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Inreisverbod 10.
  24. Eiser voert als laatste aan dat de minister ten onrechte een inreisverbod van twee jaren aan hem heeft opgelegd. Er is volgens eiser geen sprake van een zorgvuldige afweging van de persoonlijke omstandigheden van hem. Het inreisverbod is buitenproportioneel gelet op de langdurige en exclusieve relatie tussen hem en [naam 2] . Dit zorgt volgens eiser voor een inbreuk op artikel 8 van het EVRM. 10.
  25. Zoals hiervoor onder 8.
  26. overwogen slaagt het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM niet. Gelet daarop mocht het inreisverbod worden opgelegd. De gronden die zien op inreisverbod slagen niet. Conclusie en gevolgen
  27. De beroepen zijn ongegrond. Omdat op de beroepen is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank, in de zaken AWB 24/13647 en AWB 25/70: - verklaart de beroepen ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaken AWB 24/13648 en AWB 24/319: - wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli
  28. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, in de zaak Chavez-Vilchez met zaaknummer C-133/15, ECLI:EU:C:2017:
  29. Europese Unie/Europese Economische Ruimte. Artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Dit is de datum met ingang waarvan eiser volgens de gegevens van de BRP niet meer samenwoonde met zijn referent. Machtiging tot voorlopig verblijf. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  30. Vreemdelingencirculaire 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.