RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.14254 V-nummer: [V nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2000, van Gambiaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. F. Lavell), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. B.H. Wezeman). Procesverloop Eiser heeft op 4 november 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De minister heeft primair verzocht om het beroep wegens het ontbreken van beroepsgronden niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank ziet daar geen aanleiding toe. Eiser heeft in het beroepschrift naar voren gebracht dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is en er daarbij ten onrechte aan voorbij is gegaan dat eiser bij een gedwongen terugkeer zal komen bloot te staan aan het risico van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dit moet naar het oordeel van de rechtbank als een beroepsgrond worden aangemerkt. Het beroep is daarom ontvankelijk.
- De rechtbank is wel met de minister van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Eiser heeft in beroep deze beroepsgrond namelijk op geen enkele wijze gemotiveerd onderbouwd. Deze grond is daarom onvoldoende om te concluderen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft verder geen gronden naar voren gebracht. Ook is uit de verklaringen van eiser of anderszins naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat eiser bij een terugkeer naar Gambia een risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025 door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Op grond van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.