RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.1533 (beroep) NL24.1534 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser (gemachtigde: mr. J. Ruijs), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. R.M. Koning). Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 inzake Chavez-Vilchez afgewezen. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij het besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet voordat op zijn beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig H. Barzizaoua, tolk Arabisch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling Ten aanzien van het griffierecht
- Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dat verzoek toe. Ten aanzien van het beroep Achtergrond
- Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Op [geboortedatum 1] 2021 is hij vader geworden van [naam 1] en op [geboortedatum 2] 2022 van [naam 2] (referenten), met zijn partner [naam 3]. Op 2 februari 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn eerste kind. De partner van eiser heeft ook uit een eerdere relatie drie kinderen die bij haar wonen. Het bestreden besluit
- Verweerder heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, de aanvraag om een verblijfsdocument afgewezen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht ten aanzien van zijn kinderen. Ook is er niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen, dat zij gedwongen zouden worden het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Tussen eiser en zijn kinderen bestaat gezinsleven zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit. Met betrekking tot eiser en de andere drie kinderen van de partner van eiser, is niet gebleken dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. De beroepsgronden
- Eiser voert – samengevat – aan dat hij daadwerkelijke meer dan marginale zorgtaken verricht voor zijn kinderen. Er bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kinderen, dat deze gedwongen zullen worden het grondgebied van de EU te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt afgegeven. Verder had in het kader van artikel 8 van het EVRM ook de persoonlijke en hechte banden tussen eiser en de kinderen van de partner van eiser aangenomen moeten worden en had tevens de belangenafweging in eisers voordeel moeten uitvallen. Eiser heeft hiertoe meerdere foto’s van hem en de kinderen, loonstrookjes, verklaringen van de school van de kinderen van de partner van eiser, verklaringen van zijn partner en verklaringen van derden overgelegd. Ter zitting heeft eiser ook verklaringen van de school en buitenschoolse opvang van [naam 1] en van de jeugdverpleegkundige overgelegd. Het arrest Chavez-Vilchez 5.
- De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot worden ontzegd van de belangrijkste rechten die aan de status van EU-burger zijn verbonden. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft, als gevolg waarvan het betrokken kind gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten. Hiervoor moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg heeft over het kind en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land. Dat de andere ouder, burger van de EU, de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, is een relevant gegeven maar volstaat niet om te kunnen vaststellen dat er tussen de andere ouder en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten als aan die ouder een verblijfsrecht in de lidstaat wordt geweigerd. Om te kunnen vaststellen of sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding, moet rekening worden gehouden met de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie met beide ouders en het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden. 5.
- Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat er onvoldoende objectieve bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiser meer dan marginale zorgtaken verricht voor referenten. In het verweerschrift heeft verweerder verduidelijkt dat gezien de jonge leeftijd van de kinderen, het aannemelijk is dat er verklaringen van bijvoorbeeld schooldirecteuren van referenten uitblijven, maar acht het onvoldoende dat eiser geen andere onafhankelijke personen en instanties heeft benaderd. Ter zitting heeft eiser enkele stukken overgelegd van objectieve derden met betrekking tot een aantal zorgtaken die hij verricht, zoals de verklaringen vanuit de school van [naam 1] en de jeugdverpleegkundige van referenten. 5.
- De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen van objectieve derden niet eerder in het geschil ingebracht konden worden aangezien [naam 1] sinds april 2025 pas de schoolgerechtigde leeftijd heeft bereikt en sinds mei 2025 naar school is gegaan. De rechtbank laat die stukken om deze reden toe en acht het voor de zorgvuldige besluitvorming noodzakelijk dat verweerder, gelet op de inhoud van de stukken, deze stukken kan meenemen in de beoordeling. Hechte en persoonlijke banden met de kinderen van de partner van eiser 6.
- Voor de vaststelling of er gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat, moet er tussen minderjarige en meerderjarige bloed- of aanverwanten sprake zijn van hechte persoonlijke banden. Een hechte en persoonlijke band is een begrip van feitelijke aard. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond. De rechtbank moet de beoordeling van verweerder vol toetsen, nu het hier gaat om de vaststelling of er sprake is van beschermwaardig familieleven. 6.
- De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van eiser en zijn partner blijkt dat eiser, sinds zij samen zijn, betrokken is geweest bij de verzorging van de kinderen van de partner van eiser. Deze verklaringen worden ondersteund door de foto’s die zijn overgelegd en de verklaringen van derden, zoals van de directeur van de school van de kinderen van de partner van eiser. Ter zitting is gebleken dat de omgangsregeling die de kinderen met hun biologische vader sinds 2021 hebben, inhoudt dat hij hen twee keer in de maand ziet. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van eiser en zijn partner, de foto’s en de objectieve verklaringen van derden aannemelijk is gemaakt dat er hechte en persoonlijke banden bestaan tussen eiser en de kinderen van de partner van eiser. 6.
- Om deze reden zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Verweerder zal in een nieuw te nemen besluit op het bezwaar moeten uitgaan van hechte en persoonlijke banden tussen eiser en de kinderen van zijn partner. De belangenafweging 7.
- Met betrekking tot het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn, moet het belang van het kind voorop staan. Volgens het beleid van verweerder moet het belang van minderjarige kinderen tot uitdrukking worden gebracht in de beslissing en moet er een aanzienlijk gewicht aan toekomen. Verweerder dient daarnaast in de belangenafweging een “fair balance’ te maken en daarbij kenbaar alle belangen te betrekken. 7.
- De rechtbank stelt vast dat in de belangenafweging met betrekking tot het economisch belang van de Nederlandse Staat in eisers voordeel is gewogen dat hij geen beroep doet op de openbare kas. In eisers nadeel is echter gewogen dat hij mogelijk in de toekomst gebruik gaat maken van alle voorzieningen die door de overheid worden betaald. De rechtbank acht die motivering onvoldoende. Uit de stukken is gebleken dat eiser ten tijde van zijn procedureel verblijfsrecht aan het werk was en voldoende inkomsten genereerde uit loondienst. De rechtbank ziet dan ook uit de overgelegde stukken geen aanleiding om in eisers nadeel te wegen dat hij mogelijk gebruik gaat maken van de openbare kas. Verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd. 7.
- Verweerder heeft in het bestreden besluit geen objectieve belemmering voor eiser aangenomen om het gezinsleven in Marokko voort te zetten. Daarbij is niet betrokken dat er een omgangsregeling bestaat tussen de kinderen van de partner van eiser en hun biologische vader. De rechtbank acht het in dit kader relevant dat het gaat om een samengesteld gezin en die gezinssituatie dient door verweerder kenbaar betrokken te worden in de beoordeling. De rechtbank is dan ook van oordeel van verweerder niet kenbaar alle belangen heeft meegewogen. Ook om deze reden is het beroep gegrond. Conclusie
- Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beoordeling dient te maken.
- Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
- De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de rechtbank bepaalt dat verweerder eiser opnieuw moet horen gelet op de lange duur van de procedure. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
- Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.1533: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; en - draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.1534: - wijst het verzoek af. in beide zaken: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2017:
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals volgt uit Werkinstructie 2020/16: Richtlijnen voor toepassing van artikel 8 EVRM (WI 2020/16), paragraaf 3.3.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (Hof) van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC
- Zoals volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Zoals is opgenomen in paragraaf 8 van WI 2020/16.