- RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL24.14168 (beroep) en NL23.48 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr A. de Graaf). Procesverloop
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 januari 2023 afgewezen omdat eiser niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikte. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond
- Deze zaak gaat over het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen die in Nederland als zelfstandige arbeid willen verrichten. Per 1 oktober 2022 wordt van Turkse zelfstandigen verlangd dat zij (eerst) moeten beschikken over een mvv. Zij komen alleen nog op grond van het Turks associatierecht voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking als zij aan alle voorwaarden van de vergunning voldoen én er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het verlangen van een mvv onevenredig is. 2.
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ om zijn eenmanszaak ‘[naam]’ te kunnen voeren. Mvv-vereiste
- De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden die zien op het door de minister in het bestreden besluit tegengeworpen mvv-vereiste al inhoudelijk zijn beoordeeld in de uitspraak van 7 november 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverwegingen van die uitspraak die zien op het mvv-vereiste de hare. Eisers betoog slaagt dus niet. Bijzondere omstandigheden en artikel 8 van het EVRM
- Eiser heeft in bezwaar een beroep gedaan op artikel 8 van het Het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden. (EVRM) omdat hij in Nederland wenst te blijven bij zijn familie en vrienden. Volgens eiser moest de minister deze bezwaargronden beoordelen in het kader van een beroep op bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Eiser heeft de omstandigheden aangevoerd in het kader van artikel 8 van het EVRM en de minister heeft de omstandigheden dan ook beoordeeld in dit kader. Verder heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd. Uit het beleid van de minister volgt dat het aan de vreemdeling is om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat het gevolg hiervan is dat de minister de eventuele bijzondere individuele omstandigheden niet heeft kunnen wegen bij het bestreden besluit. Hoorplicht
- Eisers beroep op de hoorplicht is ook inhoudelijk beoordeeld in de uitspraak van 7 november
- De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverweging die op de hoorplicht ziet de hare. Voorgaande betekent dat het gebrek gepasseerd wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. 6.
- De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorziening. 6.
- Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet de minister de griffierechten aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak NL24.14168: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak NL23.48: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - draagt de minister op het betaalde griffierecht van in totaal € 371,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Dit verzoek is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Zie paragraaf B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:
- Paragraaf B1/4.1.2 van de Vc
- Zie de uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.