← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19355

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.37480 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres, (gemachtigde: mr. I.M. Hagg) en de minister van Asiel en Migratie , verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de ongegrond verklaring van haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag tot het verlenen van machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [naam 1] (referent). 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 maart 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen is eiseres in beroep gegaan. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en O. Ilmi als tolk in de Somalische taal. Met een bericht van afwezigheid is er geen gemachtigde van verweerder verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
  5. Op 25 maart 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Naar aanleiding van een verzoek daartoe van eiseres ter zitting, is aan haar de mogelijkheid geboden om een aanvullende reactie te geven op het bestreden besluit. Dat heeft zij gedaan. Vervolgens heeft verweerder kunnen reageren op die aanvullende reactie en ook op wat ter zitting is besproken. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek opnieuw gesloten. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van het griffierecht
  6. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Zij hoeft dus geen griffierecht te betalen. Beoordeling
  7. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond
  9. Referent is de pleegzoon van eiseres. Beiden hebben de Somalische nationaliteit. Referent heeft een asielstatus per 20 september
  10. Op 20 mei 2021 heeft referent een mvv-nareis aanvraag ingediend voor zijn zes (pleeg)kinderen. Tegelijkertijd heeft hij een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' ten behoeve van zijn pleegmoeder. De aanvraag van de (pleeg)kinderen van referent is in eerste instantie afgewezen. De procedure van het pleegkind van referent is daarna niet voortgezet. Het daartegen gemaakte bezwaar namens de kinderen van referent is bij besluit van 31 oktober 2023 gegrond verklaard. In december 2023 zijn de vijf biologische kinderen van referent naar Nederland gekomen. De aanvraag en van eiseres is afgewezen en het bezwaar dat zij tegen die afwijzing heeft gemaakt is ongegrond verklaard. Eiseres verblijft momenteel, nadat zij eerder met de kinderen in Kenia verbleef, weer in Somalië.
  11. Het bezwaar van eiseres is – kort gezegd – ongegrond verklaard omdat volgens verweerder er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent bestaat. Het familieleven tussen de kinderen van referent en eiseres in de vorm van hechte en persoonlijke banden is aangenomen. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiseres uit. Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
  12. Eiseres voert aan dat zij op 2 juni 2022 stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat referent haar financieel onderhoudt. Referent heeft tijdens de zitting verklaard dat hij tijdelijk, ten tijde van de hoorzitting van 12 september 2023, niet in staat was om eiseres financieel te onderhouden vanwege de hoge kosten van het verblijf van zijn kinderen in Nairobi. Eiseres is toen ondergebracht bij een vrouw die haar verzorgde en financieel bijstond. Dit was echter een tijdelijke oplossing en op het moment dat de kinderen naar Nederland zouden komen, zou referent ook weer volledig financieel verantwoordelijk worden voor eiseres, zoals nu ook het geval is. Eiseres heeft referent opgevoed en ook altijd voor zijn kinderen gezorgd. De psychische en fysieke gezondheid van eiseres is ernstig verslechterd. De medische stukken die hierover zijn overgelegd zijn onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. Er is door referent slechts tijdelijk iemand gevonden om de hoogst noodzakelijke zorg te verlenen aan eiseres. Zij kan niet zelfstandig functioneren en is afhankelijk van referent. Ten onrechte is er onvoldoende waarde toegekend aan de verklaringen van referent hieromtrent en ook de bewijsnood is onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Eiseres voert verder in het kader van de banden met het gastland aan dat deze banden niks vertellen over de familiaire relatie die bestaat tussen eiseres en referent en dat hier geen grondslag voor is te vinden in de jurisprudentie. Mocht die beoordeling toch relevant zijn, dan is ten onrechte niet meegenomen dat het gehele kerngezin van eiseres nu in Nederland verblijft. 9.
  13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bankafschriften die zijn overgelegd dateren van vóór de hoorzitting van referent op 12 september
  14. Tijdens de hoorzitting is expliciet door referent verklaard dat hij eiseres niet financieel ondersteunt. Dat referent in de toekomst weer de financiële verantwoordelijkheid wil oppakken, doet niet af aan de omstandigheid dat hier destijds geen sprake van was en dit is ook niet onderbouwd. Daar komt bij dat financiële verantwoordelijkheid niet zonder meer gelijk staat aan een financiële afhankelijkheid. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de gestelde afhankelijkheid pas is ontstaan na het vertrek van referent naar Nederland. De kinderen hebben verklaard in hun gehoor dat eiseres zich zelfstandig kon redden toen het gezin nog in Somalië woonde en referent heeft verklaard dat de afhankelijkheid pas is ontstaan na de val van eiseres in Nairobi. Niet is onderbouwd dat eiseres afhankelijk is van 24-uurs zorg, dat ook niet uit de stukken van 2 juni 2022 blijkt. Daarnaast krijgt eiseres nu ook hulp en zorg door derden. Ten aanzien van het beroep op bewijsnood, stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet enkel op bewijsstukken is gebaseerd, maar ook op de verklaringen van referent en zijn dochters. Ook de banden van eiseres met Somalië zijn vele malen sterker dan met Nederland. Zij is daar geboren en opgegroeid en heeft het grootste deel van haar leven daar gewoond. Niet is vast komen te staan dat eiseres in Somalië geen familienetwerk heeft. Verweerder heeft alle omstandigheden die bekend waren ten tijde van het nemen van het besluit voldoende meegewogen, maar komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. 9.
  15. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang kan bijvoorbeeld zijn of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. 9.
  16. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM volgens het EHRM een vraag is van feitelijke aard. Verweerder heeft bij die vaststelling geen beoordelings- of beleidsruimte. Dat betekent dat de rechtbank vol moet toetsen of sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij is van belang of het geheel aan de hierboven genoemde factoren, samen beoordeeld, tot de conclusie moet leiden dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en dus van beschermingswaardig familieleven. 9.
  17. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder aan de hand van de verklaringen die referent heeft gegeven tijdens de hoorzitting heeft vastgesteld dat er geen financiële ondersteuning wordt gegeven door referent aan eiseres. De rechtbank acht die motivering onvoldoende om het navolgende. Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd op 2 juni 2023, blijkt dat er frequent een bedrag is overgemaakt aan eiseres om voor haar, en voor de kinderen, in het onderhoud te voorzien. Zo heeft referent ook verklaard tijdens de hoorzitting. Tijdens de hoorzitting heeft referent aangegeven dat de medische kosten te hoog werden om nog te betalen voor hem. Zoals ter zitting ook is gebleken, ging dit echter om een tijdelijke situatie. Referent heeft bij de hoorzitting echter ook gewezen op de bewijzen die hij heeft overgelegd van het geld dat hij destijds stuurde. De rechtbank stelt vast dat de stukken die voor de hoorzitting zijn ingediend met betrekking tot de financiële ondersteuning van eiseres in zijn geheel niet zijn meegenomen in de besluitvorming. Verweerder heeft hier bij de hoorzitting ook niet verder over doorgevraagd. De rechtbank acht dat onzorgvuldig. De verklaringen van referent zijn verder onvoldoende bezien in het licht van de gehele procedure die een lange tijd heeft voortgeduurd, en waar ook parallel een nareisprocedure voor de kinderen werd gevoerd en de financiële situatie die daarbij past. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende dat in de periode tussen de aanvraag en het bestreden besluit de financiële situatie van referent wisselend is geweest, maar in het bestreden besluit is enkel naar een momentopname gekeken. Dat referent heeft verklaard ten tijde van de hoorzitting tijdelijk geen financiële bijdrage te kunnen leveren, is onvoldoende om de andere stukken hieromtrent niet mee te nemen in de beoordeling. 9.
  18. Eiseres heeft daarnaast terecht aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van een exclusieve afhankelijkheid voor het leveren van zorg. In het bestreden besluit staat dat aan de exclusieve afhankelijkheid een zwaarwegend, maar geen doorslaggevend belang mag worden toegekend. Echter heeft verweerder toch in het bestreden besluit opgenomen dat niet is gebleken dat eiseres voor de zorg specifiek afhankelijk is van referent. Door die exclusieve afhankelijkheid wel als voorwaarde te stellen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een te streng en daarmee onjuist criterium gehanteerd. 9.
  19. Met betrekking tot de overweging in het bestreden besluit dat de gestelde afhankelijkheid is ontstaan na vertrek, overweegt de rechtbank het volgende. Bij de beoordeling of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie gaat het over een feitelijke vaststelling van de omstandigheden. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn overweging dat fysieke en emotionele afhankelijkheid niet kan ontstaan na het vertrek van referent. Dat de medische toestand van eiseres verslechterd is, kan volgens de rechtbank bijdragen aan de intensivering van de afhankelijkheid. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt ook dat de Afdeling het begrip familieleven als een dynamisch begrip ziet, waar alle feiten en omstandigheden die zich vóór het peilmoment hebben voorgedaan betrokken moeten worden. Waar een verbroken familieleven en de afhankelijkheid weer hersteld kan worden, kan een relatie dus ook weer intensiveren. De omstandigheid dat ten tijde van het bestreden besluit ook het besluit is genomen dat de kinderen van referent naar Nederland mochten komen kan daarbij ook bijdragen in de afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Dat verweerder die later ontstane afhankelijkheid niet aannemelijk heeft geacht, acht de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd gelet op de dynamische interpretatie van het familieleven. 9.
  20. De conclusie is dus dat verweerder de financiële situatie van referent onvoldoende kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. Daarnaast is ten onrechte het criterium van exclusieve afhankelijkheid toegepast en is onvoldoende gemotiveerd dat een later ontstane afhankelijkheid niet aannemelijk is geacht gelet op de dynamische toepassing van het begrip familieleven. De belangenafweging met betrekking tot de kinderen van referent
  21. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er familieleven bestaat tussen de kinderen van referent en eiseres. De belangenafweging valt echter in het nadeel uit van eiseres. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van de minderjarige kinderen in de belangenafweging. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat er voldoende rekening is gehouden met het belang van de minderjarige kinderen en dat eiseres niet heeft gemotiveerd op welke wijze de belangen anders hadden moeten worden meegewogen. 10.
  22. De rechtbank overweegt dat het gehoor dat heeft plaatsgevonden voornamelijk was geënt op de nareisprocedure die gevoerd werd voor referent en zijn kinderen, zo blijkt uit pagina 3 van beide gehoren waar de doelstelling van het gehoor is omschreven. Daar staat namelijk dat: “het doel van dit gesprek is meer informatie te krijgen voor de lopende Nareisprocedure”. Uit de enkele vragen die zijn gesteld over de relatie tussen eiseres en de kinderen die zijn gehoord, blijkt dat er een goede band bestaat met eiseres. De enkele vragen die zijn gesteld aan slechts twee van de kinderen in het kader van de nareisprocedure, acht de rechtbank echter onvoldoende om de feiten vast te stellen in het kader van het belang van de kinderen in de procedure van eiseres. Wat betreft de overige drie kinderen stelt de rechtbank vast dat verweerder in het geheel niet hun belangen in kaart heeft gebracht, terwijl zij ten tijde van de gehoren van de twee dochters wel een leeftijd hadden om (ook) te kunnen worden gehoord. 10.
  23. De rechtbank geeft verder, in het kader van de belangenafweging, alvast mee dat met betrekking tot de weging van het belang van de kinderen en die beoordeling, niet uit het bestreden besluit blijkt welk aanzienlijk gewicht daaraan toekomt. Ook kan de rechtbank niet zonder meer volgen waarom het - in het kader van het belang van de kinderen - in eiseres haar nadeel wordt gewogen dat zij de kinderen heeft moeten verlaten in Nairobi en dat zij daar tijdelijk zonder haar hebben gewoond. Conclusie en gevolgen
  24. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beoordeling met betrekking tot het familieleven tussen referent en eiseres dient te maken en een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient te maken met betrekking tot eiseres en haar kleinkinderen.
  25. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de rechtbank verweerder nog meegeeft om referent en (een aantal) van de kinderen van referent opnieuw te horen gelet op de lange duur van de procedure. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
  26. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichting na de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 31 oktober 2023; - draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; en - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder. In de procedure Toegang en Verblijf (TEV). Hiertoe verwijst eiseres naar de noot van [naam 2] bij de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  27. Gehoor nareis van 5 oktober 2023, waarin de dochters [naam 3] (geboren op [geboortedatum 1] 2005) en [naam 4] (geboren op [geboortedatum 2] 2006) zijn gehoord. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Arrest van 17 april 2012, [naam 5] tegen Oostenrijk, app.no. 1598/
  28. Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/
  29. Arrest van 10 oktober 1994, [naam 6] tegen Zwitserland, app.no. 23218/
  30. Arrest van 7 november 2000, [naam 7] tegen Nederland, app.no. 31519/
  31. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats ook heeft geoordeeld in de uitspraak van 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087, r.o. 9.6 tot en met 9.
  32. Zoals bijvoorbeeld op pagina 3 en 4 van het gehoor. Pagina 4 van het gehoor. Op pagina 6 van het gehoor. Zie de uitspraak van het EHRM van 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD00044702, r.o.
  33. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling op 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  34. Pagina 5 en 7 beide gehoren.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.