← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19368

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.20309 (beroep) NL25.2123 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1981, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoekster (eiseres), (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. F.E. Mahler). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ en haar verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
  2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook aanwezig waren de tante en een vriend van eiseres. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres en haar verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  6. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en omstandigheden
  7. Eiseres is met ingang van 3 oktober 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar minderjarige dochter. Zij verbleef in Nederland met haar dochter die medische zorg kreeg, terwijl haar man en zonen in Suriname bleven. Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot 5 januari
  8. Op 21 december 2023 hebben eiseres en haar dochter allebei een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De aanvraag van de dochter van eiseres heeft niet geleid tot een beschikking vanwege haar overlijden op 24 januari
  9. De dochter van eiseres is in Nederland begraven. Bestreden besluit
  10. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres niet aan de voorwaarden voldoet voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Eén van de voorwaarden is namelijk dat de hoofdpersoon bij wie verblijf is verleend, op grond van artikel 3.51, lid 1, onderdeel a, ten tweede, of artikel 3.51, lid 1, onderdeel b van de Vb, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De dochter van eiseres is overleden voordat haar verblijfsvergunning was omgezet naar een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Ten slotte weegt de minister het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiseres. Daarom is de uitzetting van eiseres niet in strijd met respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 5.
  11. De minister voert verder aan dat uit de beoordeling direct blijkt dat het bezwaar van eiseres ongegrond is. Over deze conclusie bestaat volgens de minister geen twijfel en dat betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Op de zitting heeft de minister benadrukt dat eiseres in bezwaar geen nieuwe stukken of informatie heeft overgelegd. Het feitencomplex was daarom al duidelijk. Ook heeft eiseres het belang van een hoorzitting niet toegelicht en/of niet toegelicht of er nog stukken overgelegd zouden worden. Er is daarom terecht afgezien van het horen van eiseres. In dit kader verwijst de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 10 februari 2023 voor een soortgelijke zaak. Standpunt eiseres
  12. Eiseres voert allereerst aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli
  13. Daarnaast ligt het op de weg van verweerder om ambtshalve over te gaan tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM dan wel artikel 7 van het Handvest. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dat niet wordt gedaan. 6.
  14. Verder voert eiseres aan dat de minister niet tijdig – voor het overlijden van de dochter van eiseres – heeft beslist op haar aanvraag. Op de zitting heeft eiseres benadrukt dat zij de documenten betreffende haar aanvraag op 22 januari 2024 heeft overgelegd. De documenten heeft de minister op 25 januari 2024 geregistreerd. Dit is de dag ná het overlijden van haar dochter. Dit betekent dat de documenten eerder dan 25 januari 2024 bij de postkamer van de minister moeten zijn aangekomen. Volgens eiseres zal dit waarschijnlijk op 23 januari 2024 zijn geweest want dat is een dinsdag. Als de minister die datum aanhoudt, dan zijn de documenten tijdig ingediend, namelijk vóór het overlijden van de dochter van eiseres. Op dat moment voldeed eiseres aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning. De minister heeft dit volgens eiseres ook niet betwist. Eiseres verwijst in dit kader naar artikel 26 van de Vw waaruit volgt dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Volgens eiseres is de datum van de beschikking daarbij niet relevant, het gaat om de datum waarop aan alle voorwaarden werd voldaan. Vervolgconclusie is dan ook dat eiseres ook op enig moment voldeed aan alle voorwaarden voor verlening van de door haar gevraagde verblijfsvergunning. Het oordeel van de rechtbank
  15. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. 7.
  16. De rechtbank overweegt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres. In het leven van eiseres heeft een zeer bepalende, verdrietige en traumatische gebeurtenis plaatsgevonden, namelijk het overlijden van haar dochter. De minister was hiervan op de hoogte. Daarnaast heeft eiseres in haar bezwaarschrift naar voren gebracht dat zij altijd 24 uur per dag voor haar dochter heeft gezorgd, dat haar overlijden een diepe impact op haar had, dat zij het graf van haar dochter in Nederland bezoekt en dat het voor haar feitelijk onmogelijk is om dit vanuit Suriname te doen. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze gebeurtenis al voldoende aanleiding moeten zijn geweest om eiseres te horen. Op deze manier had de minister inzicht kunnen krijgen in de situatie waar eiseres zich in bevindt om zo tot een zorgvuldig besluit te kunnen komen. Op een hoorzitting had eiseres namelijk haar verhaal kunnen doen zoals zij op de zitting heeft gedaan. Uit haar verklaring ter zitting blijkt dat eiseres twee zoons heeft van 14 en 16 jaar oud die momenteel in Nederland bij haar verblijven en naar school gaan. Haar man is politieagent en is vanwege zijn werk nog in Suriname. Daarnaast zou eiseres beginnen aan de opleiding Helpende Zorg & Welzijn van het ROC. Verder heeft de tante van eiseres verklaard dat het eiseres troost biedt om het graf van haar dochter te bezoeken, desnoods in de nacht. Mocht eiseres terug moeten keren naar Suriname dan zal het haar €1000,- voor haarzelf en €4000,- voor het hele gezin kosten om met een afgegeven visum voor kort verblijf naar Nederland te reizen om het graf van haar dochter te kunnen bezoeken. Ook heeft eiseres verklaard dat zij zo vaak als het kan het graf van haar dochter bezoekt en dat dit haar enige rust geeft. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister onderzoek had moeten doen door middel van het houden van een hoorzitting om achter deze feiten en omstandigheden te komen zodat een zorgvuldige beoordeling gemaakt had kunnen worden. De beroepsgrond slaagt. 7.
  17. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat haar een vergunning had moeten worden verleend, omdat haar dochter op enig moment aan alle voorwaarden voldeed. Uit artikel 26, derde lid, van de Vw volgt dat de verblijfsvergunning kan worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt. Deze bepaling regelt dat er geen gat ontstaat in het verblijfsrecht. Eiseres kan daar geen andere rechten aan ontlenen. Het belang van de aanvraag van de dochter van eiseres voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ is met haar overlijden komen te vervallen. De minister heeft daarom haar aanvraag mogen afsluiten, kunnen oordelen dat zij niet in het bezit is gesteld van een niet tijdelijk verblijfsrecht en eiseres daarom ook geen afgeleid verblijfsrecht toekomt. Conclusie en gevolgen
  18. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal eiseres alsnog moeten horen en wat naar voren komt tijdens de hoorzitting moeten betrekken bij zijn besluitvorming. 8.
  19. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van het verzenden van deze uitspraak. 8.
  20. Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiseres en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 8.
  21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het griffierecht aan eiseres vergoede Beslissing De rechtbank: in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.20309: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 3 mei 2024; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres. - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden. in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.2123: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk. Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vreemdelingenbesluit
  22. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  23. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:
  24. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Vreemdelingenwet
  25. ECLI:NL:RVS:2022:
  26. ECLI:NL:RVS:2022:
  27. Regionaal Opleidingscentrum. Algemene wet bestuursrecht. Middels het uploaden van de uitspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.