RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24819 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. M.R. van der Linde), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F.H. van Zanden). Samenvatting 1.
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot verlening van uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.
- Met het besluit van 18 april 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot verlening van uitstel van vertrek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3.
- Op 11 november 2021 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Bij aanvullende beschikking van 16 maart 2023 is in afwachting van een beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw van 16 maart 2023 tot uiterlijk 16 september
- 3.
- Op 16 maart 2023 is eiser in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen met de nog ontbrekende bewijsmiddelen binnen een termijn van twee weken. Op 21 maart 2023 zijn de aanvullende stukken ontvangen. Bij brief van 23 maart 2023 is aan het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd een advies uit te brengen over de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw. Bij nota van 14 april 2023 heeft het BMA een advies uitgebracht. 3.
- Uit het BMA-advies van 14 april 2023 komt het volgende naar voren. Bij eiser is sprake van PTSS. Eerder is in Venezuela diagnostiek gestart naar de eventuele aanwezigheid van een autismespectrumstoornis. Deze diagnostiek is niet afgerond en er zijn derhalve geen conclusies getrokken. Eisers klachten en problemen hangen samen met de eerdere ingrijpende gewelds- en levensbedreigingen van het gezin. Er is sprake van herbeleving, vermijding en een verhoogde prikkelbaarheid. Dit uit zich bij eiser in een angstige, geagiteerde en alerte stemming, een laag activiteitenniveau, verminderde belangstelling, concentratieproblemen en gevoelens van vervreemding van anderen. Momenteel staan met name klachten van angstig gedrag, gevoelens van paniek en hyperalertheid op de voorgrond. Eiser staat onder behandeling van een GZ-psycholoog. In december 2022 is eiser gestart met EMDR therapie. In maart 2023 is de traumabehandeling (tijdelijk) gestopt. Medio april 2023 is een evaluatie met eiser gepland om een vervolgbehandeling te bespreken. Bij uitblijven van de genoemde behandeling van de PTSS verwacht de BMA-adviseur geen medische noodsituatie op korte termijn, omdat uit de informatie van de behandelaar niet naar voren komt dat er sprake is van een voorgeschiedenis van psychotische ontregelingen, psychiatrische opnames, een tentamen suïcide of crisis- interventies. Bovendien krijgt eiser geen medicatie voorgeschreven. Eiser kan reizen. Het bestreden besluit 4.
- Naar aanleiding van de oudheid van het BMA-advies en gewijzigd beleid is op 16 januari 2024 aan het BMA verzocht een nieuw medisch advies uit te brengen. Op 14 februari 2024 heeft het BMA een nieuw advies uitgebracht. Het BMA concludeert dat er geen uitspraak kan worden gedaan over het ontstaan van een medische noodsituatie bij het uitblijven van een behandeling, omdat niet uit de stukken blijkt dat er bij eiser momenteel sprake is van een actieve medische behandeling. Verder valt af te lezen dat eiser kan reizen zonder enige medische voorziening. 4.
- Verweerder heeft het beroep van eiser op artikel 64 van de Vw, samengevat weergegeven, afgewezen omdat uit het recente BMA-advies blijkt dat bij uitblijven van een behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn is te verwachten, immers is gebleken dat eiser nu geen actieve behandeling ontvangt en er dus bij uitblijven van deze behandeling ook geen medische noodsituatie is ontstaan. Griffierecht
- Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om een vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door eiser overgelegde formulier heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen. Ten aanzien van het beroep 6.
- Eiser voert aan dat verweerder met geen woord in gaat op een belangrijk motiveringsgebrek wat in bezwaar is aangevoerd. Het gaat om de reactie op het recente BMA-advies. Verweerder is volgens eiser niet ingegaan op het beoordelen van het risico op mogelijke suïcide of andere crises in het kader van uitzetting en al dan niet kunnen reizen, nu de mogelijke uitzetting samenhangt met en relevant is voor zijn medische behandelsituatie. Dit is volgens eiser ook van belang in het kader van de belangrijke vergewisplicht van verweerder. 6.
- In artikel 64 van de Vw is bepaald dat uitzetting achterwege blijft zo lang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen. Verweerder zal uitstel van vertrek verlenen als de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of als een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Daarvan is, aldus paragraaf A3/7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), sprake indien uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie én de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is óf deze aantoonbaar niet toegankelijk is voor eiseres. Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. 6.
- Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies naar de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Een vreemdeling kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een BMA-advies betwisten. 6.
- Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw in te dienen, namelijk dat er sprake moet zijn van actieve behandeling. 6.
- Zoals uit het BMA-advies van 14 april 2023 blijkt, is door het BMA zelf informatie opgevraagd bij de toenmalige behandelaar. Op basis daarvan heeft de BMA-arts in het toenmalige advies van 14 april 2023 geconcludeerd dat eiser kan reizen en er bij uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie wordt verwacht. Had eiser de aan die informatie verbonden conclusies willen betwisten dan het op zijn weg gelegen actuelere medische stukken van de behandelaar te overleggen waaruit blijkt dat de conclusie van de BMA-arts geen stand kan houden. Dit is nagelaten. 6.
- In het meest recente BMA-advies heeft de BMA-arts geconcludeerd dat er geen sprake is van een actieve behandeling. Had eiser deze conclusie van de BMA-arts willen bestrijden dan had het op zijn weg gelegen medische stukken te overleggen waaruit blijkt dat de conclusie van de BMA-arts onjuist is. Eiser heeft geen stukken overgelegd, ook niet in beroep, waaruit blijkt dat wel degelijke sprake is van een actieve behandeling en dat uitblijven daarvan leidt tot een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Daarom hoefde verweerder niet te twijfelen aan de juistheid van het BMA-advies. 6.
- Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een motiveringsgebrek en dat verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Posttraumatische stressstoornis. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
- Dit volgt uit 7.1.3 en 7.2.4 Vc 2000.