← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19391

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51053 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw
  2. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De minister gaat er verder ten onrechte van uit dat voldoende bescherming door de Colombiaanse autoriteiten wordt geboden. Tot slot voert eiser aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.
  3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding
  4. Eiser heeft op 3 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 november 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.
  5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
  6. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas
  8. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij werkte als administratief medewerker op een school in La Vereda de Santa Rita en is op 3 maart 2022 door twee onbekende mannen geslagen toen hij onderweg was van school naar zijn huis in Neiva . Deze mannen hebben tegen eiser gezegd dat zijn homoseksuele geaardheid een slecht voorbeeld is voor de leerlingen. Van dit incident heeft eiser op 1 april 2022 aangifte gedaan. Vervolgens is eiser op 19 april 2022 voor een tweede keer aangevallen en bedreigd door twee onbekende mannen. Hij is toen bijna doodgeslagen. Van dit incident heeft eiser direct aangifte gedaan. Daarna is hij op 21 april 2022 naar de ombudsman gegaan om het incident te melden. Hij is vervolgens op 3 mei 2022 overgeplaatst naar een andere school in een ander dorp ( Nagata ). Hier voelde hij zich eenzaam en raakte depressief. Voor deze klachten heeft eiser een arts en een psycholoog bezocht, waarop hij vervolgens is doorverwezen naar een psychiater. Op 22 september 2022 is eiser opnieuw in Neiva gaan wonen zodat hij dichterbij zijn familie kon zijn. Eiser is toen overgeplaatst naar een school in Tello . In deze periode ging het beter met eiser. Dat veranderde toen hij op 17 mei 2023 dreigberichten ontving via WhatsApp. In deze berichten stond dat de afzenders wisten wie de ouders van eiser waren, waar zij woonden en werkten en dat zij zijn ouders om het leven wilden brengen. Naar aanleiding hiervan is eiser op 2 augustus 2023 gevlucht uit Colombia. Het bestreden besluit
  9. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: - Identiteit, nationaliteit en herkomst; - Gestelde homoseksuele gerichtheid; - Problemen naar aanleiding van seksuele gerichtheid. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de problemen naar aanleiding daarvan geloofwaardig. De geloofwaardige asielmotieven maken niet toe dat eiser moet worden gezien als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat niet is gebleken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging. Homoseksualiteit is in Colombia niet strafbaar. De Colombiaanse overheid stelt de rechten van de lhbti-gemeenschap te waarborgen. Er zijn ook meerdere wetten op grond waarvan discriminatie verboden is. Eiser kan zich in Colombia in vrijheid uiten. Bovendien kan de Colombiaanse overheid in het algemeen bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. Niet is gebleken dat dit voor eiser bij voorbaat zinloos of gevaarlijk is. Ook is er volgens de minister voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig. Daarom mag van eiser in redelijkheid worden verwacht dat hij zich in een ander deel van Colombia vestigt. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Heeft de minister terecht gesteld dat niet is gebleken van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade en dat er voldoende bescherming voor eiser is in Colombia?
  10. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. Eiser voert daartoe aan dat de lhbti-gemeenschap, ondanks de formele wettelijke bescherming in Colombia, vaak het doelwit is van discriminatie, bedreigingen en geweld. Eiser verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 3 juni 2024, waaruit volgens hem blijkt dat de juridische bescherming van de lhbti-gemeenschap in Colombia in de praktijk nauwelijks wordt gehandhaafd, vooral niet in rurale gebieden. Ook verwijst eiser naar een brieven van VWN van 24 en 30 juni 2025 en het algemeen ambtsbericht van juni
  11. Eiser is herhaaldelijk bedreigd en hij heeft daar concrete voorbeelden van gegeven. De minister heeft dat onvoldoende meegewogen bij de beoordeling en dat is onzorgvuldig. Eiser betoogt verder dat de minister heeft nagelaten onderzoek te doen naar de lokale omstandigheden in de regio waar hij vandaan komt. Eiser is afkomstig uit het departement Huilla , dat grenst aan departementen die aangewezen zijn als 15c- gebied. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 juni 2024, waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat voor transgendervrouwen in Colombia op basis van individualiseerbare omstandigheden een gegronde vrees voor vervolging kan bestaan of dat zij een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM wanneer zij moeten terugkeren naar Colombia. Eiser stelt dat deze uitspraak ook op hem van toepassing is als lid van de lhbti-gemeenschap en hij geen bescherming van de Colombiaanse autoriteiten kan krijgen. In dit verband wijst eiser erop dat hij meermaals aangifte heeft gedaan, maar dat de Colombiaanse autoriteiten hem onvoldoende bescherming hebben geboden. Zo blijkt uit de door hem overgelegde afschriften van de database van het Strafrechtelijk Registratiesysteem dat de Colombiaanse autoriteiten geen onderzoek gedaan hebben gedaan naar aanleiding van de aangiftes, waardoor de dreiging niet is verdwenen. Uit onafhankelijke bronnen blijkt dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn om bescherming te bieden. Zij zijn onverschillig of medeplichtig. Eiser betoogt in dat verband dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende een volledige individuele beoordeling heeft gemaakt waarbij het asielrelaas is gerelateerd aan de beschikbare landeninformatie. Ook dit is volgens eiser onzorgvuldig. 5.
  12. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt dat de minister op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiser bij terugkeer naar Colombia geen gegronde vrees voor vervolging heeft, geen reëel risico loopt op ernstige schade en dat er voldoende bescherming voor hem is. 5.1.
  13. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister hiervoor van belang heeft kunnen vinden dat uit algemene informatie blijkt dat de rechten voor de lhbti-gemeenschap in Colombia voldoende zijn gewaarborgd en dat de overheid de positie van de lhbti-gemeenschap wil verbeteren en beschermen. Dat deze bescherming in praktijk niet altijd kan worden ingewonnen geldt vooral voor transpersonen. Hierbij wijst de rechtbank erop dat uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024 volgt dat desondanks niet aannemelijk is dat elke transgender te vrezen heeft bij terugkeer naar Colombia. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister het landenbeleid voor transpersonen gewijzigd. Aangenomen wordt dat zij geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten. Anders dan eiser stelt geldt die wijziging niet voor de gehele lhbti-gemeenschap. Dit volgt ook niet uit de uitspraak van de Afdeling. Eiser valt niet onder deze aangewezen groep, omdat hij geen transpersoon is. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat er individualiseerbare omstandigheden zijn waarop gebaseerd kan worden dat er voor hem een gegronde vrees voor vervolging bestaat of dat hij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM wanneer hij moet terugkeren naar Colombia. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser hierin niet is geslaagd. Daarbij heeft hij terecht betrokken dat eiser, ondanks de ondervonden problemen, zich in vrijheid kan uiten als homoseksueel en hij daarmee geen risico loopt op vervolging. Ten aanzien van de verklaringen van eiser dat hij driemaal is bedreigd, overweegt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte stelt dat eiser bescherming kan vragen in Colombia. Ook uit de door eiser overgelegde brief van VWN blijkt niet dat eiser geen bescherming kan vragen in Colombia. Uit alle in deze brief genoemde bronnen blijkt dat rechtsbescherming vooral in rurale gebieden niet goed geregeld is. Daaruit blijkt ook dat het in stedelijke gebieden over het algemeen wel goed geregeld is. Eiser is afkomstig uit Neiva , de hoofdstad van het departement Huilla . Het departement is grotendeels ruraal gebied, maar Neiva is dat niet. Ten aanzien van de stelling dat Huilla grenst aan een 15c-gebied en er in Huilla veel invloed is van guerrilla en eiser daardoor een risico loopt op ernstige schade wegens zijn geaardheid, overweegt de rechtbank dat de minister recent nieuwe 15c-gebieden in Colombia heeft aangewezen en Huilla daar niet onder valt. Eiser heeft verder ook niet aangevoerd of onderbouwd dat de situatie daar zo ernstig is dat homoseksuelen, zoals eiser, geen beroep kunnen doen op bestaande beschermingsmechanismen. 5.1.
  14. Daarbij acht de rechtbank van belang dat aan eiser bescherming is geboden door de Colombiaanse autoriteiten. Zo heeft de minister terecht betrokken dat eiser, ondanks de ondervonden problemen, iedere keer aangifte heeft kunnen doen, naar de Ombudsman is gegaan, is doorverwezen naar een arts en tot tweemaal toe is overgeplaatst naar een andere regio. Hieruit blijkt niet dat de Colombiaanse autoriteiten geen bescherming willen bieden. Dat de rechtsbescherming niet effectief is, omdat de Colombiaanse autoriteiten niets met de aangiftes hebben gedaan en geen onderzoek hebben ingesteld, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is het met de minister eens dat uit de overgelegde afschriften van de database van het Strafrechtelijk Registratiesysteem blijkt dat de aangiftes niet zijn afgesloten en dat, anders dan eiser meent, een aangifte geen garantie is voor een vervolging. Dat er tot nu toe geen daders zijn opgepakt en geen veroordelingen zijn gevolgd, kan, zoals de minister terecht stelt, te maken hebben met de omstandigheid dat eiser niet kan verklaren door wie hij is bedreigd. De minister heeft verder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat de governacion zich erg bereidwillig heeft opgesteld om hem te helpen. Voor zover eiser betoogt dat de Ombudsman geen overheidsinstantie is, volgt de rechtbank dit evenmin. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2025 volgt namelijk dat onder meer het Bureau van de Ombudsman valt onder de nationale beschermingsmogelijkheden die gelden voor alle Colombianen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanwijzingen voor het oordeel dat Colombia geen effectief rechtssysteem heeft of dat het bij voorbaat zinloos dan wel gevaarlijk zou zijn geweest voor eiser om bescherming te vragen. 5.1.
  15. De rechtbank overweegt tot slot dat, anders dan eiser aanvoert, uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de algemene landeninformatie heeft betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas. Zo stelt de minister dat uit landeninformatie niet kan worden afgeleid dat eiser niet kan klagen bij bevoegde autoriteiten en, indirect, dat uit de landeninformatie waarnaar de Afdeling verwijst in haar uitspraak van 5 juni 2025 niet het beeld naar voren komt dat de autoriteiten in Colombia LHBTI’ers in het geheel niet willen of kunnen beschermen. Overige beroepsgrond
  16. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade door gewapende groeperingen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser voor zijn problemen een binnenlands beschermingsalternatief heeft. Conclusie en gevolgen
  17. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3 van het EVRM. ECLI:NL:RVS:2024:
  18. WBV 2025/5, 5 februari
  19. Rechtsoverweging 10.
  20. p. 5 en 6 van het voornemen en p. 3 van het bestreden besluit.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.