RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.28221 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] geboren op [geboortedatum] 1960, met de Vietnamese nationaliteit, verzoekster (gemachtigde: mr. Š. Petković), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Met het besluit van 22 mei 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 7 april 2025 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, voor de periode van 21 mei 2025 tot 5 juli 2025 (dertig dagen), afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft op 2 juli 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt verweerder op te dragen om een visum voor kort verblijf aan verzoekster te verlenen, dan wel haar te behandelen als ware zij in het bezit van het visum. Indien dit niet mogelijk is heeft verzoekster verzocht verweerder te gelasten met spoed het bezwaar tegen de afwijzing van de visumaanvraag te behandelen en verweerder op te dragen binnen een redelijk termijn te beslissen op het bezwaar. Overwegingen
- Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Gelet op het dossier en het door verzoekster gestelde, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te kennen.
- Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde spoed, nu blijkt dat de schoondochter van verzoekster, [naam 1] (referente en garantsteller en tevens echtgenote van de zoon van verzoekster, [naam 2]) leverkanker heeft en verzoekster zo snel mogelijk steun wil bieden aan haar schoondochter en zoon. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen. In dit kader is van belang om te vermelden dat verweerder op 18 juli 2025 door de voorzieningenrechter in de gelegenheid is gesteld om een reactie te geven op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft dit echter nagelaten. De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak doen zonder zitting.
- Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekster het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en omdat volgens verweerder bij verzoekster het voornemen om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet kon worden vastgesteld (oftewel dat er sprake is van vestigingsgevaar).
- Verzoekster stelt dat zij wel degelijk het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf voldoende heeft aangetoond, nu zij met stukken heeft onderbouwd dat zij vanwege de ziekte van haar schoondochter naar Nederland wil komen om zowel haar schoondochter als haar zoon bij te staan. Verzoekster stelt verder dat zij beschikt over voldoende middelen van bestaan en verwijst daarbij naar de overgelegde stukken waaruit blijkt dat zij elke maand een pensioenuitkering van omgerekend € 152,- op haar bankrekening gestort krijgt. Verzoekster stelt in dit kader tevens met stukken dat zij een eigen woning en een aanzienlijk stuk grond in Vietnam bezit. Verder is volgens verzoekster van belang dat zij kosteloos bij haar zoon en schoondochter in Nederland zal verblijven en dat haar schoondochter een goedlopende nagelsalon exploiteert met voldoende omzet, wat betekent dat haar schoondochter voor haar garant kan staan. Wat betreft het vestigingsgevaar stelt verzoekster dat zij de economische en sociale binding met het land van herkomst voldoende heeft aangetoond. Zo stelt verzoekster dat zij met haar pensioenuitkering een substantieel inkomen ontvangt waarmee zij zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien en dat zij een eigen woning bezit. Zij stelt verder dat zij 64 jaar oud is, haar hele leven in Vietnam heeft gewoond, haar overige familie daar woont en heeft onderbouwd dat zij haar enige dochter, haar kleinkinderen en haar moeder van 89 jaar in Vietnam ondersteunt.
- De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat deze ertoe strekt de komst van verzoekster naar Nederland mogelijk te maken, hetgeen in het kader van de visumprocedure ter beoordeling van verweerder is. Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom slechts in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoekster in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzingen zo onevenredig zijn dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Volgens vaste jurisprudentie is voor een dergelijke vergaande beslissing in beginsel slechts plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt of sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
- Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan, gelet op hetgeen verzoekster heeft aangevoerd en mede in het licht van het niet nader gemotiveerde bestreden besluit, sterk getwijfeld worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en heeft het bezwaar van verzoekster op meerdere punten een meer dan redelijke kans van slagen. Op basis van de huidige stukken volgt namelijk dat verzoekster een grote sociale binding heeft met het land herkomst en dat tijdige terugkeer daarom voorshands gewaarborgd lijkt. Vanwege de sterke sociale binding geeft de minder sterke economische binding naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen nadere indicatie voor vestigingsgevaar. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf door verzoekster onvoldoende zijn aangetoond. Uit de overlegde stukken blijkt namelijk de familieband tussen verzoekster, haar zoon en haar schoondochter en hieruit blijkt verder dat bij haar schoondochter leverkanker met mogelijke uitzaaiingen is vastgesteld. Inmiddels is de schoondochter begonnen met een chemotherapeutisch behandeltraject en wenst verzoekster om over te komen naar Nederland om steun te bieden aan haar schoondochter en zoon in deze moeilijke tijden.
- Voor de voorzieningenrechter is op dit moment echter onduidelijk of verzoekster over voldoende middelen van bestaan beschikt voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis. Naar alle redelijkheid kan de pensioenuitkering van omgerekend € 152,- namelijk niet voldoen als ‘voldoende middelen van bestaan’ tijdens haar verblijf in Nederland. De voorzieningenrechter heeft goede nota genomen dat verzoekster voor de periode dat zij in Nederland is bij haar zoon en schoondochter zal inwonen – en daardoor geen kosten hoeft te maken voor overnachtingen -, maar de vraag is of de schoondochter voor het verdere verblijf alsmede de terugreis voldoende inkomen genereert met haar nagelstudio, ook wanneer zij de therapieën ondergaat. Hierover zijn geen stukken overgelegd. Ook is het voor de voorzieningenrechter onduidelijk of de zoon van verzoekster een inkomen heeft en hoe hoog dit dan is.
- Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening toewijzen, in die zin dat verweerder nader onderzoek zal moeten verrichten en verzoekster (lees: referente) de gelegenheid moet geven om aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt wat betreft het voorgenomen verblijf in Nederland en de terugreis naar Vietnam. Als verweerder de aanvraag voor het visum voor kort verblijf niet direct na dit onderzoek zal toewijzen, behoort verweerder verzoekster in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, teneinde haar de kans te geven verweerder ervan te overtuigen dat een tijdige terugkeer wel gewaarborgd is te achten. De voorzieningenrechter geeft verweerder in totaal vier weken de tijd voor voormeld(e) onderzoek(en) en het vervolgens nemen van een beslissing op bezwaar. Als het verweerder niet lukt om binnen vier weken een beslissing op bezwaar te nemen, zal, mede gelet op het spoedeisende belang van verzoekster, verweerder verzoekster moeten aanmerken als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf, voor de duur van dertig dagen.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst de gevraagde voorziening toe in die zin dat verweerder nader onderzoek zal moeten verrichten en verzoekster de gelegenheid moet geven om aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt wat betreft haar voorgenomen verblijf in Nederland en de terugreis naar Vietnam. Als verweerder de aanvraag voor het visum voor kort verblijf niet direct na dit onderzoek zal toewijzen, behoort verweerder verzoekster in de gelegenheid te stellen te worden gehoord teneinde haar de kans te geven verweerder ervan te overtuigen dat een tijdige terugkeer wel gewaarborgd is te achten. De voorzieningenrechter geeft verweerder vier weken de tijd voor voormeld(e) onderzoek(en) en het vervolgens nemen van een beslissing op bezwaar. Als het verweerder niet lukt om binnen vier weken een beslissing op bezwaar te nemen, zal verweerder verzoekster moeten aanmerken als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf, voor de duur van dertig dagen; en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.