← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19439

proces-verbaal uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33867 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. IJland), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepasssing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 25 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,- Overwegingen

  1. Eiser stelt van Ugandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
  3. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser voor één nacht in de internationale lounge van luchthaven Schiphol heeft mogen plaatsen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 20 december 20181 overwogen dat een aanwijzing voor verblijf in de lounge krachtens artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan worden gegeven aan de vreemdeling die een asielverzoek doet aan de buitengrens wanneer die aanvraag niet direct in behandeling kan worden genomen. De Afdeling wijst er in dat verband op dat verblijf in de lounge grote nadelen heeft en dat deze slechts is bedoeld voor verblijf van ten hoogste één nacht. Nu de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak heeft bepaald dat het verblijf in de lounge voor de duur van één nacht acceptabel is en eiser niet langer dan 24 uur heeft verbleven in de lounge, ziet de rechtbank verder geen grond voor het oordeel dat de loungemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
  4. Het betoog van eiser dat de minister eiser niet voldoende heeft bevraagd over de oplegging van een lichter middel, volgt de rechtbank ook niet. Gelet op het grensbewakingsbelang en de vaste jurisprudentie van de Afdeling hoeft de minister deze enkel onder bijzondere omstandigheden prijs te geven, en waren de aan eiser gestelde vragen afdoende. Door eiser zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de minister daarvoor het zwaarwegende grensbewakingsbelang opzij had moeten zetten.
  5. De rechtbank heeft tot slot geconstateerd dat er op 20 juli 2025 een voornemen lag waarbij de asielaanvraag van eiser werd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b lid 1 sub e Vw. Na de door eiser op 24 juli 2025 ingediende zienswijze heeft de minister besloten dat de zaak zich niet langer leent voor de grensprocedure en is de maatregel met ingang van 25 juli 2025 opgeheven. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zienswijze van 24 juli 2025 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, maar wel heeft betoogd dat de asielprocedure niet in de grensprocedure kan worden afgedaan omdat deze niet als kennelijk ongegrond kan worden afgedaan. Ter zitting heeft de procesvertegenwoordiger beaamd dat de zienswijze de reden was om de grensdetentie op te heffen. Bij besluit van 25 juli 2025 is de asielaanvraag van eiser dan ook afgewezen zonder toepassing van artikel 30, 30a of 30b Vw. 5.
  6. De rechtbank stelt daarmee vast dat de aanvraag dus niet als kennelijk ongegrond kon worden afgedaan. De vraag die zich vervolgens aandient is per wanneer de minister 1 ECLI:NL:RVS:2018:
  7. redelijkerwijs had kunnen weten dat de aanvraag zich niet langer leende voor de grensprocedure. De rechtbank verwijst daarvoor naar artikel 3.109b, eerste lid Vb. 5.
  8. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit redelijkerwijs na het nader gehoor had kunnen en moeten weten. Daarna zijn immers geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend geworden en deze vraag moet ook niet afhankelijk zijn van de inhoud van een zienswijze. De minister heeft een eigen verantwoordelijkheid om zorgvuldig naar de wijze van afdoening te kijken. 5.
  9. Omdat de minister na het nader gehoor 1 dag de tijd heeft om te bedenken of de zaak zich nog langer leent voor de grensprocedure, is de voortzetting van de grensdetentie met ingang van 20 juli 2025 dan ook niet langer rechtmatig. 5.
  10. De rechtbank is bekend met de vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een bewaringsrechter zich niet inhoudelijk kan buigen over de vraag of de asielaanvraag goed is afgehandeld, en dat dit is voorbehouden aan de asielrechter. Als ook dat eerst na constatering door een asielrechter het asielbesluit niet deugt, de bewaringsrechter zich kan buigen over de vraag wat dit voor de rechtmatigheid van de bewaring betekent. 5.
  11. De rechtbank is echter van oordeel dat in deze specifieke situatie deze Afdelingsjurisprudentie eiser niet kan baten. In de asielprocedure ligt namelijk het asielbesluit ter toetsing voor en nu de asielaanvraag daarin niet is afgedaan als kennelijk ongegrond, niet de vraag of, en zo ja tot wanneer de minister kon voorsorteren op kennelijke ongegrondheid. Dat betekent dat als de bewaringsrechter hier niet naar kijkt, er voor eiser geen effectieve rechtsbescherming openstaat tegen het door de minister in deze zaak niet juist toepassen van artikel 3.109b, eerste lid Vb. 5.
  12. Reden waarom de rechtbank in deze situatie wel inhoudelijk kijkt naar de wijze waarop de minister is omgegaan met eisers asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat partijen zich daar op zitting ook inhoudelijk over hebben kunnen uitlaten.
  13. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was met ingang van 20 juli 2025 onrechtmatig.
  14. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 500,-.
  15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2025 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier. zaaknummer: NL25.33867 4 Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 11 augustus 2025 Documentcode: DSR52123707 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.