RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.37439 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] geboren op [geboortedatum 1] 1975, verzoekster mede namens haar zoon [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, verzoeker hierna gezamenlijk: verzoekers (gemachtigde: mr. P. Singh), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde spoed omdat verzoekers de bruiloft van hun nicht (referent) in Nederland wensen bij te wonen op [datum]
- De voorzieningenrechter oordeelt verder dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen. De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak doen zonder zitting.
- Verweerder heeft de aanvraag van verzoekers in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende hebben aangetoond en omdat volgens verweerder bij verzoekers het voornemen om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet kon worden vastgesteld.
- Verzoekers brengen naar voren dat zij het doel en de omstandigheden wel degelijk hebben aangetoond, namelijk een kort verblijf in Nederland voor het bijwonen van de bruiloft van de nicht. Verzoekers stellen verder dat er voldoende economische en sociale binding is met Pakistan en daarom geen sprake zal zijn van vestigingsgevaar.
- De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. Verweerder heeft dit echter nagelaten. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat verweerder zich niet verzet tegen de voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening daarom toewijzen voor de periode 20 augustus 2025 tot 18 november
- Dat houdt in dat verweerder verzoekers in deze periode moet behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek toe, en draagt op verweerder verzoekers te behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor de periode 20 augustus 2025 tot 18 november 2025; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.