← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19746

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.2458 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Akkaya), en de Minister van Asiel en Migratie , (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 januari 2024, waarin de minister eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen. 1.
  2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL24.2458). Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.2459). 1.
  3. Op 25 januari 2024 en 26 maart 2025 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld. De minister heeft op 1 april 2025 een verweerschrift ingediend. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de tolk en de gemachtigde van de minister. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 1.
  5. De rechtbank heeft op 22 april 2025 het onderzoek heropend. Daarbij zijn partijen gewezen op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Somalië van 31 maart 2025 en verzocht de rechtbank uiterlijk op 9 mei 2025 te informeren over hun standpunt of Mogadishu als een beschermingsalternatief kan worden aangemerkt. De minister en verzoeker hebben hierop bij brief van 9 mei 2025 gereageerd. 1.
  6. Partijen hebben niet verklaard een nadere zitting te willen. De rechtbank heeft op 30 mei 2025 (wederom) het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank
  7. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  9. De rechtbank verwijst voor de relevante wettelijke bepalingen naar de bijlage bij deze uitspraak. Wat aan deze procedure voorafging
  10. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft op 10 augustus 2021 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 4 maart 2022, op grond van de Dublinverordening, niet in behandeling genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Duitsland. Het beroep van eiser tegen dit besluit is op 22 maart 2022 ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast. Omdat eiser niet voor het verstrijken van de overdrachtstermijn is overgedragen aan de Duitse autoriteiten, is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag en is eiser in de gelegenheid gesteld om opnieuw een asielaanvraag in te dienen. Eiser heeft daarvan op 9 april 2022 gebruikt gemaakt. Deze aanvraag ligt nu ter beoordeling voor. Het asielrelaas
  11. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2016 uit Somalië is vertrokken, omdat hij door Al-Shabaab met de dood is bedreigd. Eisers leraar had hem gevraagd naar zijn huis te komen. Daar waren twee mannen van Al-Shabaab die hem vroegen zich bij hen aan te sluiten. Nadat eiser dit aan zijn moeder en oom had verteld, hebben zij de volgende dag tegen de leraar aangifte gedaan. De leraar is dezelfde dag opgepakt. Al-Shabaab heeft die avond eisers moeder telefonisch bedreigd. Eiser en zijn moeder zijn daarom de volgende ochtend naar Mogadishu gevlucht. In de avond heeft Al-Shabaab toen eisers oom vermoord. Eisers moeder is in Mogadishu nog twee keer gebeld en met de dood bedreigd. Op advies van een oom van eiser die in Zuid-Afrika woont, is eiser toen naar het buitenland gevlucht. Het bestreden besluit
  12. Met het bestreden besluit (en het daarin ingelaste voornemen van 17 januari 2024) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser de volgende elementen aangemerkt als relevant: - de identiteit, nationaliteit en herkomst; - de problemen ondervonden met Al-Shabaab. 7.
  13. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met Al-Shabaab daarentegen heeft de minister niet geloofwaardig geacht. Reden daarvoor is dat eiser volgens de minister tegenstrijdig en inconsistent heeft verklaard over de problemen met Al Shabaab en de daarop volgende periode. 7.
  14. De minister heeft geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op een van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden. De geloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab
  15. Eiser voert, samengevat, aan dat de minister zijn problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij betwist tegenstrijdig en inconsistent over zijn problemen te hebben verklaard. Eiser heeft tijdens het nader gehoor de discrepanties zelf al gecorrigeerd en wijst naar de zienswijze, waarin hij per onderwerp op deze tegenwerping is ingegaan.
  16. De rechtbank constateert dat deze beroepsgrond een herhaling is van de zienswijze. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister in het bestreden besluit voldoende specifiek en gemotiveerd ingegaan op wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister heeft toegelicht dat eiser tijdens het nader gehoor in gelegenheid is gesteld zijn asielrelaas toe te lichten en een verklaring te geven waarom zijn verklaring niet overeenkomt met zijn verklaringen uit het aanmeldgehoor. Omdat eisers verklaring hiervoor niet afdoende was, heeft de minister hem kunnen tegenwerpen tegenstrijdig en inconsistent te hebben verklaard. Voor zover eiser niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Het binnenlands beschermingsalternatief
  17. Eiser voert, samengevat, aan dat de minister onvoldoende zorgvuldig heeft onderbouwd dat Mogadishu een (binnenlands) beschermingsalternatief is. Reden daarvoor is dat volgens hem niet is voldaan aan de vereisten van het beschermingsalternatief en Mogadishu geen veilig gebied is en daarom niet kan dienen als beschermingsalternatief. Eiser komt uit Jawhar en is naar Mogadishu doorgereisd. Hij komt oorspronkelijk niet uit Mogadishu. Daarbij wijst eiser erop dat hij ongeveer veertien jaar was toen hij samen met zijn moeder korte tijd in Mogadishu was en dat zij destijds konden rekenen op hulp van familieleden. Op dit moment wonen er geen familieleden meer in Mogadishu. De tante is overleden en zijn moeder is gevlucht naar een andere plaats, zo stelt eiser. Eiser is al jaren niet in Somalië geweest, hij is er niet bekend en redelijkerwijs kan er dan ook niet van hem worden verwacht dat hij zich in Mogadishu gaat vestigen. Daarbij wijst eiser erop dat de minister expliciet moet beoordelen of hij in Mogadishu geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Dat is in dit geval niet gebeurd, wat maakt dat de besluitvorming ook onzorgvuldig is, aldus eiser. Ook heeft eiser geen Somalisch paspoort noch andere reisdocumenten, waardoor ook niet vast staat dat hij in Somalië zal worden toegelaten. De minister moet volgens eiser motiveren dat hij wordt toegelaten tot het beschermingsalternatief. Vanwege de onveilige situatie in Mogadishu en in Somalië als geheel doet eiser dan ook een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing wordt verwezen naar de volgende informatie: - het AAB Somalië van 31 maart 2025, pagina 17, 23, 29 en 33; - het bericht van 22 januari 2024 van VluchtelingenWerk Nederland, Somalië - Veiligheidssituatie Mogadishu, aanwezigheid Al-Shabaab; - het AAB Somalië van juni 2023; - het AAB Somalië van december 2021; - UN Security Council: Situation in Somalia, Report of the Secretary-General (S/2023/758), 13 oktober 2023; - Office of the Commissioner General for Refugees and Stateless Persons (Belgium), COI unit: Somalië: Veiligheidsituatie in Mogadishu, 23 oktober 2023; - European Union Agency for Asylum: Country Guidance: Somalia, 11 augustus 2023; - Institute for the Study of War, CT – Critical Threats Project: Salafi-Jihadi Movement Weekly Update, Juni 15, 2023; - Amnesty International Report 2022/23; The state of the World’s Human Rights; Somalia 2021, 27 maart 2023; - US Department of State: 2022 Country Report on Human Rights Practices: Somalia, 20 maart 2023; - European Union Agency for Asylum: Somalia; Security situation, februari 2023; - Armed Conflict Location & Event Data Project, published by ReliefWeb: Somalia at a Glance: 15 april – 26 mei 2023, 2 juni 2023; - Human Rights Watch: Somalia Reeling from Devastating Attack on Education Ministry, 1 november 2022; - Africanews- Last year was the deadliest for civilians in Somalia since 2017, 23 februari 2023; - UN High Commissioner for Refugees: International Protection Considerations with Regard to People Fleeing Somalia, September 2022; - UNHCR Guidelines nr. 4 on International Protection, paragraaf 32 en 42: - een artikel van 18 maart 2025 van Horn Oberserver; - een op 20 maart 2025 gepubliceerde kaart van Centraal Somalië en Mogadishu, waar aanvallen en innames hebben plaatsgevonden; - een uitspraak 23 oktober 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen NL24.19102, van r.o. 7.1 t/m 7.
  18. De minister stelt zich, samengevat, op het standpunt dat het AAB 2025 op voorhand geen reden geeft voor vaststelling van een schending van artikel 3 van het EVRM of een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In Mogadishu is volgens de minister sprake van een gewapend conflict met een relatief lager niveau van willekeurig geweld, maar het blijkt nog altijd in handen van de regering die optreedt waar mogelijk. Er is dus nog steeds sprake van een veiligheidsstructuur, wat een contra-indicatie is voor het aannemen van de hoogste gradatie binnen de zogeheten 15c-beoordeling. Daarnaast overweegt de minister dat eiser eerder al drieënhalve maand in Mogadishu heeft verbleven en dat hij ook familie in Mogadishu heeft wonen. Dat zijn tante in Mogadishu zou zijn overleden en zijn moeder er zou zijn gevlucht is volgens de minister niet onderbouwd en onvoldoende om Mogadishu niet voor eiser als binnenlands beschermingsalternatief aan te merken.
  19. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000, waarin de Nederlandse wetgever artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn heeft geïmplementeerd, beoogt bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict zo hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt. Deze uitzonderlijke situatie valt onder de ‘most extreme case of general violence’ als bedoeld in het arrest van het EHRM van 17 juli 2008, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk. Bij de beoordeling of zich de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet, is onder meer van belang of de bij het gewapend conflict betrokken partijen zich richten tegen burgers, dan wel vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot, of de geweldpleging wijdverspreid is, of het gewapend conflict al dan niet beperkt is tot bepaalde gebieden, in hoeverre een veiligheidsstructuur aanwezig is en ook hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld of als gevolg daarvan ontheemd zijn geraakt.
  20. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 volgt dat er een zogenaamde glijdende schaal binnen artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat. De minister moet bij de toepassing van deze bepaling zowel de individuele omstandigheden van een vreemdeling als de veiligheidssituatie in het land van herkomst betrekken. Alleen in de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een risico loopt, wordt niet toegekomen aan het betrekken van de individuele omstandigheden. Hoe meer een vreemdeling het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld vereist zal zijn opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
  21. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2024, volgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt. Specifiek voor Somalië geldt dat de minister bij zijn beoordeling moet betrekken of een vreemdeling al eerder in het alternatieve gebied heeft verbleven en of naaste familie van die vreemdeling aanwezig is in dat gebied. Dat staat in paragraaf C7/30.5.2 van de Vc
  22. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de veiligheidssituatie in Mogadishu niet zodanig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit eerdere rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een reëel risico op ernstige schade zich in het algemeen niet voordoet bij vestiging in Mogadishu en de door eiser genoemde bronnen bieden voor de rechtbank ook op dit moment onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het AAB 2025 blijkt dat aanslagen van Al-Shabaab voornamelijk zijn gericht op politieke doelwitten, zij het dat geen pogingen worden gedaan om burgers te ontzien. Al-Shabaab is Mogadishu al tot op enkele kilometers benaderd, maar – zo is vermeld in paragraaf 2.2.1.2 van het AAB 2025 – Al-Shabaab heeft geen controle over gebieden in Mogadishu. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat Mogadishu in naam (nog) onder controle van de federale regering staat, maar dat de federale regering niet in staat is de veiligheid in Mogadishu volledig te garanderen. Verder is van belang dat uit grafiek 5 in paragraaf 2.2.1.4 van het AAB 2025 met de aantallen incidenten waarbij burgers een doel waren in de regio Benadir, waartoe Mogadishu behoort, blijkt dat geen sprake is van substantieel meer burgerslachtoffers dan wel incidenten dan in de vorige verslagperiode.
  23. Vervolgens moet worden bezien of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de (veiligheids)situatie in Mogadishu – in geval van eiser niet tot een verhoogd risico op ernstige schade leiden. Uit het AAB 2025 volgt onder meer dat het afhankelijk is van de individuele omstandigheden en het sociale netwerk of iemand zich veilig buiten Al-Shabaab gebied kan vestigen. Terugkeerders die het zich kunnen veroorloven om in beveiligde wijken van Mogadishu te gaan wonen, en terugkeerders die terugkeren naar een gebied waar zij sterke clanbanden of andere sociale banden hebben, lopen minder gevaar. Daarbij zijn terugkeerders uit westerse landen doorgaans eenvoudig herkenbaar na terugkeer in Somalië naarmate ze daar langer hadden gewoond en gewoonten meenemen die onbekend zijn in Somalië en die in de Somalische samenleving als on-islamitisch of on-Somalisch kunnen worden gezien. Zij kunnen herkenbaar zijn aan bijvoorbeeld een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen, gebaren maken of hun houding. Zij kunnen daarom moeite hebben met het integreren in de Somalische samenleving.
  24. De rechtbank stelt vast dat eiser relatief jong was toen hij in Mogadishu heeft verbleven, dat zijn verblijf daar slechts een paar maanden heeft geduurd en dat het inmiddels bijna negen jaar geleden is. Eiser verblijft sinds 2016 in Europa en zal mogelijk herkenbaar zijn als terugkeerder. Aan de andere kant is de rechtbank van oordeel dat de minister op basis van de eigen verklaringen van eiser ervan uit mag gaan dat in Mogadishu familieleden van hem wonen. In het nader gehoor van 15 januari 2024 heeft eiser verklaard dat zijn moeder samen met haar nieuwe man in Mogadishu woont, evenals de zus van zijn moeder, en de vrouw en kinderen van een oom die zelf in Zuid-Afrika verblijft. De verklaring wijkt op het punt van de woonplaats van zijn moeder af van wat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard, namelijk dat zijn moeder met zijn zusje vlakbij Jowhar verblijft. Ook in beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn moeder niet meer in Mogadishu woont, maar is gevlucht naar een andere plaats; op de zitting heeft eiser dit gespecificeerd als een dorp vlakbij Jowhar. Daargelaten deze tegenstrijdigheden overweegt de rechtbank dat de enkele stelling in beroep dat zijn moeder is gevlucht uit Mogadishu en dat zijn tante is overleden, onverlet laat dat de andere genoemde familieleden nog in Mogadishu wonen. De minister mocht er dus vanuit gaan dat eiser een sociaal netwerk in Mogadishu heeft. Of eiser tot Somalië toegelaten zou worden, zoals hij heeft betwijfeld, is in deze procedure niet aan de orde. Zoals hiervoor is overwogen mocht de minister de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig vinden. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister voor eiser geen verhoogd risico op ernstige schade hoefde aan te nemen als hij zich in Mogadishu vestigt. Conclusie en gevolgen
  25. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van J.M.M. Versteegh - Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 juni 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: Voorschrift Vreemdelingen 2000 Artikel 3.37d
  26. Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst: a. geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade, en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.
  27. Bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van de Wet. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. Vreemdelingencircularie 2000 C2/3.
  28. Binnenlands beschermingsalternatief Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken. De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV; b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Ad a. Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied. Als de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing. Ad b. Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt. Ad c. De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen. De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen. De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is. In het landgebonden asielbeleid kan de staatssecretaris het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor: •vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU; of •een bepaalde bevolkingsgroep. C7/30.5.2 Binnenlands beschermingalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Somalië aanwezig is voor: -vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; en -vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking. In de overige gevallen toetst de IND conform paragraaf C2/3.4 Vc of, gelet op de individuele omstandigheden, een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bij deze beoordeling dienen de volgende aanknopingspunten te worden betrokken: -eerder verblijf in het gebied buiten het gebied van herkomst; en -de aanwezigheid van grootfamilie. Onder dezelfde voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen aan: -vreemdelingen die afkomstig zijn uit gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of de gebieden controleert; -vreemdelingen die bij terugkeer naar hun herkomstgebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of het gebied controleert. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Gepubliceerd 4 april
  29. op grond van de Dublinverordening, Verordening (EU) nr. 604/
  30. ECLI:NL:RBGEL:2022:
  31. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw
  32. Zie ECLI:NL:RVS:2018:
  33. Zie het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804 en de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), paragraaf C2/3.4 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) artikel 3.37d. Zie ECLI:NL:RVS:2022:2845 en ECLI:NL:RVS:2017:
  34. Zie ECLI:NL:RVS:2017:
  35. ECLI:NL:2024:
  36. Zie ECLI:NL:RVS:2024:1328 en ECLI:NL:RVS:2025:
  37. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3278, r.o.
  38. ECLI:NL:RVS:2024:
  39. ECLI:NL:RVS:2024:
  40. Zie artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (VC 2000). Zie bijlage. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  41. Zie pagina 117.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.