RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30458 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop In het besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Verzoeker heeft beroep (NL25.30457) ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat verweerder wordt gelast het BMA een medisch advies te laten uitbrengen. Verweerder heeft op 21 juli 2025 meegedeeld dat aanleiding wordt gezien het BMA om een advies te vragen. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig verzocht om verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Ook de voorzieningenrechter heeft deze mogelijkheid gelet op het bepaalde in artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter beperkt zich tot een uitspraak over de proceskosten. Uit artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb blijkt dat de proceskostenveroordeling een bevoegdheid en geen verplichting is, zodat de voorzieningenrechter over beoordelingsruimte beschikt. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat van het uitgangspunt dat een proceskostenvergoeding wordt toegekend wanneer het verzoek is ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de indiener is tegemoetgekomen kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid. Weliswaar heeft verweerder alsnog een BMA-advies aangevraagd en daarmee feitelijk gevolg gegeven aan het verzoek om een voorlopige voorziening, maar dit betekent niet dat verweerder reeds eerder in de gelegenheid was om een advies op te vragen. Uit het verweerschrift volgt dat voor het opvragen van het advies de ontslagbrief van de GGzE van belang was. Deze brief heeft verzoeker pas overgelegd nadat hij het verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend. Dit is door verzoeker ook niet betwist. Verweerder kan daarom niet worden verweten dat het advies niet eerder is opgevraagd. Er is dan ook geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, zodat geen aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2025 door mr. M. L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Bureau Medische Advisering. Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht onder meer CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5056 en CRvB 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397 Geestelijke Gezondheidszorg Eindhoven en de Kempen