← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19811

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28180 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. S. Petkovic), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder, hierna: de minister. Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over het inreisverbod van vijf jaar dat de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiser een zwaar inreisverbod mocht uitvaardigen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorgeschiedenis en procesverloop
  3. Eiser heeft op 8 januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 18 juli 2023 is eisers aanvraag kennelijk ongegrond verklaard en heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Op 21 november 2023 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het beroep van eiser ongegrond verklaard. 2.
  4. Op 27 mei 2024 heeft de vreemdelingenpolitie in Rotterdam het voorstel gedaan om eiser een zwaar inreisverbod op te leggen, nadat eiser op diezelfde datum is verhoord omtrent de feiten op grond waarvan het voorstel is gedaan. 2.
  5. Bij besluit van 24 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd omdat eiser in de ogen van de minister een gevaar voor de openbare orde vormt, waarbij de minister verwijst naar het strafblad van eiser. 2.
  6. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.
  7. De zaak is op 12 augustus 2025 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen 3.
  8. Eiser voert aan dat er omstandigheden zijn op grond waarvan aanleiding bestaat het zware inreisverbod niet op te leggen, dan wel de duur ervan in te korten. Eiser heeft in zijn gehoor namelijk aangegeven dat hij een partner in België heeft, die zwanger is. Eiser is van mening dat zijn privé- en familieleven in België door de minister onvoldoende is betrokken bij het opleggen van het inreisverbod. 3.
  9. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers gezinsleven niet aannemelijk is geworden. Eiser heeft de naam noch het adres van zijn vriendin genoemd. Verder heeft eiser geen verblijfsrecht in België. Ook verklaart eiser wisselend: tijdens een politieverhoor op 27 januari verklaarde hij dat hij getrouwd was en dat zijn vrouw langer zwanger was dan hij vier maanden later, op 27 mei 2024, tegenover de Vreemdelingenpolitie verklaarde. 3.
  10. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit artikel 6.5a vijfde lid van het Vb volgt dat dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van maximaal tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid. Ingevolge artikel 66a achtste lid, van de Vw kan om humanitaire of andere redenen af worden gezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. 3.
  11. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister zich op het standpunt stellen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet leidt tot het afzien van oplegging van het inreisverbod of verkorting van de duur ervan. Het had op de weg gelegen van eiser om zijn privé- en familieleven te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, mocht de minister oordelen dat deze omstandigheden geen aanleiding vormen om het inreisverbod achterwege te laten of te verkorten. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het inreisverbod in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Vreemdelingenwet
  13. Vreemdelingenbesluit 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.