← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:19851

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL24.8101 (beroep) en NL24.8537 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de (voorzieningen)rechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser] , van de Cubaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. J.E. van Rossem), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.F. Ludwig). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse dochter. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom zij de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Ook is de afwijzing onzorgvuldig. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfdocument omdat hij bij zijn minderjarige dochter [naam dochter] wil verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.3. Voorafgaand aan de zitting heeft [naam dochter] aangegeven gehoord te willen worden. De rechtbank heeft om die reden een kindgesprek met [naam dochter] gevoerd. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Houtemann als tolk en de gemachtigde van verweerder. De moeder van [naam dochter] , [naam moeder] , was ook aanwezig, net als een vriendin van eiser, mervouw [naam] . Zij hebben allebei tijdens de zitting gesproken. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht. Voor een Chavez-verblijfsrecht is vereist dat eiser voor [naam dochter] daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en dat tussen eiser en zijn kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam dochter] gedwongen zou zijn om eiser naar zijn land van herkomst te volgen als hij niet in Nederland mag blijven. Dat is volgens verweerder niet het geval. Daarnaast heeft verweerder getoetst of de uitzetting van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook dat is volgens verweerder niet het geval. Hoewel eiser in Nederland familie- en gezinsleven en privéleven heeft, weegt het belang van de Nederlandse overheid om eiser niet tot Nederland toe te laten zwaarder. Juridisch kader 4. In B10/2.5.1 van de Vc staan vier criteria waaraan moet worden voldaan om een geslaagd beroep te kunnen doen op het Chavez-Vilchez arrest. Deze criteria zijn: a.

  1. a)de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken of ondubbelzinnig aantonen;
  2. b)de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit);
  3. c)de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind;
  4. d)tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de vreemdeling geen verblijfsrecht wordt toegekend. Kan de afwijzing van de aanvraag om een Chavez-verblijfrecht in stand blijven? 5.1. Eiser betoogt dat verweerder zijn aanvraag om een Chavez-verblijfrecht niet mocht afwijzen. De afwijzing van zijn aanvraag is volgens hem in strijd met de belangen van zijn kind. Meer specifiek is eiser van mening dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor [naam dochter] verricht. Uit overgelegde foto’s en verschillende getuigenverklaringen (zoals die zijn overlegd en mondeling gedaan tijdens de zitting) volgt dat eiser betrokken is bij de zorg en opvoeding van [naam dochter] . Daarbij erkent eiser dat hij in het verleden minder intensief voor [naam dochter] heeft kunnen zorgen omdat hij toen nog niet in Nederland woonde. Maar sinds eiser permanent in Nederland verblijft, ziet hij [naam dochter] om het weekend van vrijdag tot maandag en vervult hij op die dagen alle bijpassende zorg- en opvoedtaken. Ook heeft eiser met de moeder van [naam dochter] afgesproken dat hij steeds meer zorgtaken in het leven van [naam dochter] zal gaan verrichten wanneer hij rechtmatig in Nederland mag verblijven. Verweerders conclusie dat eiser niet daadwerkelijk zorg- en opvoedtaken in het leven van [naam dochter] verricht, is dan ook onjuist en dus onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 5.2. De rechtbank stelt voorop dat het, zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht, aan eiser is om aan te tonen dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, overweegt de rechtbank dat verweerder de vereisten van paragraaf B10/2.5. echter niet cumulatief mag uitleggen. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is het namelijk de afhankelijkheidsverhouding tussen een minderjarige burger van de Unie en de onderdaan van het derde land aan wie een verblijfsrecht wordt geweigerd, die het nuttig effect van het burgerschap van de Unie in het geding kan brengen. Het is die afhankelijkheid die ertoe kan leiden dat de burger van de Unie door de weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is te verlaten, maar ook het grondgebied van de Unie als geheel. De afhankelijkheidsverhouding vormt dus de grondslag van het ontstaan van een afgeleid verblijfrecht. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak de zorg- en opvoedtaken (vereiste
  5. c)in samenhang met de afhankelijkheid (vereiste
  6. d)dient te beoordelen. De zorgtaken en de afhankelijkheidsverhouding 5.3. De rechtbank stelt vast dat eiser de volgende feiten onderbouwd naar voren heeft gebracht. Op [geboortedatum] 2018 is [naam dochter] geboren. Er bestond toen goed contact tussen eiser en de moeder van [naam dochter] , ook al hadden zij op dat moment geen liefdesrelatie meer. In oktober 2019 ontmoet eiser zijn dochter voor de eerste keer tijdens een bezoek aan Nederland. De reden dat eiser zijn dochter pas na één jaar ontmoet, is omdat hij niet eerder in staat was om zich een vliegticket naar Nederland te veroorloven. In maart 2020 breekt corona uit. Dit heeft als gevolg gehad dat eiser niet naar Nederland mocht reizen. Hij en [naam dochter] onderhielden tijdens de pandemie telefonisch contact. In juni 2021 komt eiser voor drie maanden naar Nederland. Hij bezoekt [naam dochter] dan ieder weekend. [naam dochter] is dan bijna drie jaar oud. In het voorjaar van 2022 bezoekt eiser Nederland opnieuw met een multiple entry visa. Hij bezoekt [naam dochter] in die periode zo vaak als mogelijk. In september 2022 start eiser een Chavez procedure in Nederland. Vanaf dat moment zorgt hij, om en nabij, om het weekend voor [naam dochter] . 5.4. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk naar voren komt dat eiser in de afgelopen jaren een steeds belangrijker rol in het leven van zijn dochter is gaan spelen. Eiser heeft dit met verschillende verklaringen onderbouwd. Naast hetgeen vrienden en bekenden hebben verklaard, heeft eiser een verklaring van de balletschool van [naam dochter] overlegd, waaruit volgt dat eiser regelmatig mee komt naar haar balletles en dat de indruk bestaat dat eiser een actievere rol in het leven van zijn dochter wil spelen. Uit een verklaring van de basisschool van [naam dochter] blijkt dat eiser haar de afgelopen tweeënhalf jaar elke twee weken een weekend opzoekt. Eiser haalt [naam dochter] dan op vrijdag op en brengt haar regelmatig op maandag weer naar school. 5.5. Ook uit het ouderschapsplan tussen eiser en de moeder van [naam dochter] volgt klaarblijkelijk dat het de intentie is om de rol van eiser in het leven van [naam dochter] in de toekomst groter te laten worden. Dit volgt bijvoorbeeld uit het streven om aan beide ouders het ouderlijk gezag toe te kennen. Ook met betrekking tot de financiële zorg voor [naam dochter] blijkt dat beide ouders deze gelijkmatig willen verdelen. Nu dat voor eiser nog niet mogelijk is, draagt hij bij naar zijn financiële mogelijkheden. 5.6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat beide ouders het ouderschap gezamenlijk en gelijk verdeeld vorm willen geven. Duidelijk is dat eiser in toenemende mate invulling kan geven aan dit streven. Eiser verricht naar zijn specifieke omstandigheden de zorgtaken die op dit moment voor hem mogelijk zijn. Gebleken is dat eiser op het moment dat hij feitelijk een grotere rol kan spelen in het leven van zijn dochter, bijvoorbeeld door het zich kunnen vestigen in Nederland en het vergaren van meer inkomen, hij dit ook daadwerkelijk doet. De rechtbank overweegt om deze redenen dat verweerders conclusie dat er geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken en dat er geen sprake is van dusdanige afhankelijkheid tussen eiser en [naam dochter] , geen stand kan houden. Het wordt de rechtbank uit het bestreden besluit onvoldoende duidelijk waarom hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, onvoldoende is onderbouwd. Er is daarmee sprake van een motiveringsgebrek. 5.7. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de bestreden beslissing onvoldoende de gevolgen van de afwijzing voor [naam dochter] heeft betrokken, waartoe artikel 3 van het IVRK en artikel 24 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie toe verplichten. Het kan immers niet anders dan dat de toenemende rol van eiser ook verdere verwachtingen wekt bij zijn dochter. Door dit niet te betrekken in het oordeel is de bestreden beslissing is in dat opzicht onzorgvuldig. De belangenafweging in het kader van artikel 8 6.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé- en gezins-/familieleven. Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 6.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de belangenafweging met betrekking tot het economisch belang van de Nederlandse Staat tot de conclusie komt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zelfstandig inkomen heeft waarmee hij zichzelf en zijn gezin kan onderhouden. Verweerder weegt dit zwaar mee in het nadeel van eiser. 6.3. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit het dossier volgt dat eiser salsadansles geeft bij twee dansscholen. Eiser heeft verschillende facturen van zowel [dansschool 1] als [dansschool 2] , een overeenkomst van opdracht tussen hem en [dansschool 2] , aangiftes van omzetbelasting, een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een lijst van leerlingen (inclusief verklaringen van een deel van hen) overlegd. Hoewel een deel van deze stukken in de beroepsfase zijn ingebracht, heeft verweerder op zitting aangegeven dat de inhoud ervan niet tot een ander standpunt leidt. Het is in dit licht voor de rechtbank onduidelijk op welke wijze verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiser zijn eigen inkomsten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en waarom dit in eisers nadeel moeten worden meegewogen. Eisers standpunt dat hij over structurele inkomsten beschikt en wel in staat is om zichzelf te onderhouden, zoals hij de afgelopen tweeënhalf jaar heeft gedaan, wordt door verweerder niet weerlegd. De rechtbank oordeelt om die reden dat ook in belangenafweging sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Conclusie en gevolgen 7.1. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beoordeling dient te maken. 7.2. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af. 7.3. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de rechtbank bepaalt dat verweerder eiser opnieuw moet horen gelet op de lange duur van de procedure. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken. 7.4. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank/voorzieningenrechter: in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.8101: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; en - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL.24.8537: - wijst het verzoek af. in beide zaken: - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 374,00 aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. Bijlage: kindbrief Beste [naam dochter] , Een tijdje geleden hebben wij elkaar gesproken. Jij was toen op de Rechtbank met jouw ouders en ook nog met andere mensen. Weet je dat nog? We zaten in een speciale kamer en jij was aan het tekenen. Mijn collega [griffier] was daar ook bij. Zij schreef toen alles op wat wij zeiden. Je zei toen dat je het een spannende dag vond. En dat je graag wil dat jouw vader in Nederland mag blijven. Je wist zelfs al dat er toen een zitting was. Dat vond ik knap van jou. Je vertelde ook over de vakanties die jullie samen hebben. Dat jullie nu op de camping sliepen. En dat jullie speciaal voor vandaag naar de rechtbank waren gekomen. Pappa sliep ook op de camping. We hebben het ook over andere dingen gehad, zoals coole glijbanen. Of over de katten bij jullie thuis. Ik ben blij dat je voor de zitting met mij wilde praten, [naam dochter] . Dat heb je goed gedaan! We hadden afgesproken dat ik op de zitting mocht vertellen waar wij over hebben gepraat. Dus dat heb ik tijdens de zitting gedaan. Jouw vader was daar ook. Hij vertelde mij toen dat hij jou om het weekend ziet. En dat hij dan het hele weekend voor jou zorgt. Ook vertelde hij dat hij jou in de toekomst graag nog meer wil zien. Ik ga jou nu mijn beslissing vertellen, [naam dochter] . Ik vind dat de minister haar werk niet goed heeft gedaan. De minister zegt dat de rol van jouw vader niet zo groot is in jouw leven. Maar ik snap dat niet. Want ik zie wat jouw vader allemaal voor jou doet. De minister moet het dus beter gaan uitleggen. Dat betekent dat de minister opnieuw naar de zaak moet gaan kijken. En opnieuw moet gaan nadenken of jouw vader in Nederland mag blijven. Het is uiteindelijk niet aan mij om te beslissen of jouw vader in Nederland mag blijven. Dat is een taak van de minister. Maar ik mag het wel zeggen als ik vind dat de minister haar werk niet goed genoeg heeft gedaan. Dat is wat er nu aan de hand is. Ik moet je ook nog vertellen dat de minister het misschien niet eens is met mijn beslissing. Zij kan dan ‘in hoger beroep’ gaan. Dat betekent dat zij dan aan hogere rechters vraagt of mijn beslissing juist is. Dat betekent dat de zaak dan nog niet is afgelopen. Als de minister niet ‘in hoger beroep’ gaat zal ze opnieuw naar de zaak gaan kijken. Maar het is vaak druk bij de minister en dan duurt het soms even voordat een zaak aan de beurt is. Dit betekent dat jij eigenlijk nog steeds niet weet of jouw vader in Nederland mag blijven. Dat is best wel gek. Maar je weet nu wel dat hij in ieder geval nu niet meteen terug naar Cuba hoeft. Dat is alles wat ik nu aan jou kan zeggen Het blijft dus nog even spannend of jou vader voor altijd in Nederland mag blijven of niet. Ik hoop dat je in de tussentijd veel tijd kan doorbrengen met jouw vader. Ook hoop ik dat je nog van een heleboel coole glijbanen naar beneden kan glijden. Ik wens je het allerbeste toe, [naam dochter] . De rechter Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open Verweerder verwijst naar paragraaf B10/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:36 en ABRvS 17 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1821. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344 Zie artikel 3 van het Ouderschapsplan: kosten van de dochter. Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.