RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50344 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba). Procesverloop
- Bij besluit van 15 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Bewaringsgronden
- De minister heeft op de zitting de zware grond 3i laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring. 2.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, inclusief de motivering daarvan, niet heeft bestreden. Deze gronden zijn, in samenhang bekeken, voldoende om de bewaringsmaatregel te rechtvaardigen. Uit de gronden blijkt dat er een risico bestaat dat de eiser zich zal onttrekken aan het toezicht. Werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
- Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Sinds juli 2024 wordt er gewacht op een laissez-passer (lp) van Algerije, maar er is nog geen reactie en geen afspraak voor een presentatie. Eiser vindt dat de minister meer moet doen dan alleen rappelleren en vertrekgesprekken voeren. Het lp-verzoek moet opnieuw onder de aandacht worden gebracht bij de Algerijnse autoriteiten vanwege het uitblijven van een reactie en omdat eiser zelf niet over documenten beschikt. 3.
- Dit betoog slaagt niet. De minister werkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ten eerste rappelleert de minister maandelijks bij de Algerijnse autoriteiten. Op 16 oktober 2025 heeft het meest recente rappel plaatsgevonden. Daarnaast heeft de minister op diezelfde dag, en dus een dag na eisers inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd. Deze handelwijze van de minister is volgens de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Dat het lp-traject op dit moment al sinds juli 2024 duurt en dat er nog geen lp is verstrekt, is hiertoe in ieder geval onvoldoende. Het blijft namelijk staan dat de minister maandelijks rappelleert en maandelijks een vertrekgesprek voert. Die twee acties zijn voldoende voor de conclusie dat de minister op dit moment voldoende voortvarend handelt. Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije?
- Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. De reden hiervoor is dat de aanvraag voor een lp al sinds juli 2024 loopt en de Algerijnse autoriteiten hierop nog niet hebben gereageerd. De voortgang van deze procedure wordt belemmerd doordat eiser geen documenten kan overleggen om zijn identiteit en nationaliteit onderbouwen. 4.
- Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt. Verder is van belang dat de aanvraag om een lp nog steeds loopt en dat op eiser de verplichting rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. De minister wijst er terecht op tijdens de zitting dat eiser dat niet heeft gedaan. Door geen inspanningen te verrichten om aan documenten te komen via familie, vrienden of kennissen, belemmert eiser zijn terugkeer. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- Vergelijk ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.