← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20117

Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-7004Zaaknummer: C/09/673260Datum beschikking: 1 mei 2025 Beschikking op het op 26 september 2024 ingekomen verzoek van: [de moeder] ,de moeder,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,+advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag, Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] ,de vader,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,advocaat: mr. E. Jongkoen te Den Haag. ProcedureOp 24 oktober 2024 heeft de rechter van deze rechtbank met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verblijf van [minderjarige] bij haar in Zweden tijdens de herfstvakantie 2024 heeft afgewezen. De rechtbank heeft de behandeling van de overige verzoeken aangehouden. Op de zitting van 28 januari 2025 heeft de rechter van deze rechtbank de behandelingvan de overige verzoeken wederom aangehouden omdat de moeder niet op de zitting aanwezig kon zijn. Voorts heeft de rechtbank de zaak voor de inhoudelijke behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met producties 1 t/m 11, van de moeder; het verweerschrift, ingekomen op 23 oktober 2024, van de vader; het aanvullend verweerschrift, met producties 1 t/m 40, ingekomen op 27 januari 2025, van de vader; de e-mail van 24 januari 2025, met bijlagen, van de vader; de e-mail van 27 januari 2025, met productie 41, van de vader; het verweerschrift op zelfstandig verzoek, met productie 12 t/m 17, ingekomen op 28 januari 2025, van de moeder; het F9-formulier van 28 februari 2025, met producties 42 t/m 47, van de vader; het aanvullend verweerschrift op zelfstandig verzoek, met producties 18 t/m 27, ingekomen op 4 maart 2025, van de moeder; het F9-formulier van 6 maart 2025, met producties 48 t/m 52, van de vader. De minderjarige [minderjarige] heeft zich op 27 januari 2025 en op 10 maart 2025 in raadkamer uitgelaten over de verzoeken. Op 11 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat;- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en ondersteund door een tolk;- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad). Van zowel de zijde van de vader als van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd. De advocaten hebben deze op enkele passages die reeds ter zitting aan de orde waren gekomen na voorgedragen. Feiten - De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad; Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ; De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. De ouders en [minderjarige] hebben de Zweedse nationaliteit. Bij beschikking van 8 maart 2023 van het Gerechtshof Den Haag is, onder meer, bepaald dat [minderjarige] gedurende de kerstvakantie in de even jaren bij de vader is en in de oneven jaren bij de moeder verblijft. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 september 2023 is onder meer: - de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald; - een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] in de oneven weekenden omgang zal hebben met de moeder, in Nederland, van vrijdagmiddag na school tot zondagavond; - een verdeling van de vakantiedagen vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] : - tijdens de voorjaarsvakantie bij de moeder is; - tijdens de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de moeder is en de tweede week bij de vader en in de oneven jaren andersom; - tijdens de zomervakantie gedurende de eerste vier weken bij de moeder is en de laatste twee weken bij de vader; - tijdens de herfstvakantie in de even jaren bij de vader is en in de oneven jaren bij de moeder. - de door de vader te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld; - verstaan dat de moeder verantwoordelijk is voor de kosten verbonden aan de uitvoering van de zorg- en vakantieregeling tussen [minderjarige] en haar, zoals de vliegtickets en de verblijfskosten; - het verzoek van de moeder om met [minderjarige] te verhuizen naar Zweden afgewezen; - het verzoek van de vader om belast te worden met het eenhoofdig gezag afgewezen. Verzoek en verweerDe moeder heeft – na wijziging en nadat op haar eerste verzoek om vervangende toestemming op 24 oktober 2024 is beslist– verzocht:– naar de rechtbank begrijpt – primair:- te bepalen dat [minderjarige] voortaan, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, zijn hoofdverblijf zal hebben bij de moeder; – naar de rechtbank begrijpt – subsidiair: de regeling ten aanzien van de herfstvakantie en de kerstvakantie te wijzigen, zodat deze komt te luiden dat [minderjarige] deze vakanties in de oneven jaren bij de moeder zal doorbrengen en de herfstvakantie in de even jaren bij de vader, waarbij de kerstvakantie vanaf het jaar 2026 bij helfte zal worden verdeeld tussen de ouders; te bepalen dat alle vakanties aanvangen op vrijdagmiddag na school; te bepalen dat de moeder [minderjarige] op vrijdag ophaalt, anderhalf uur nadat haar vliegtuig is geland; te bepalen dat vader verplicht is om [minderjarige] , wanneer hij naar Zweden gaat, op tijd naar het vliegveld te brengen dan wel, als vader is verhinderd, dat hij zelf voor een alternatieve oplossing dient te zorgen, bij gebreke waarvan vader de kosten van het door moeder betaalde ticket aan haar dient te vergoeden; te bepalen dat [minderjarige] tijdens het Hemelvaartweekend bij moeder is en tijdens Pinksteren bij vader; te bepalen dat [minderjarige] tenminste eens per twee maanden in een weekend naar de moeder in Zweden komt, bijvoorbeeld elk derde weekend van respectievelijk september, november, januari en april en juni; te bepalen dat vader gehouden is om voor [minderjarige] een weekendtas te pakken en mee te geven aan [minderjarige] , met een aantal benodigdheden, zoals kleding voor buiten, kleding en wat persoonlijke spullen voor [minderjarige] , in alle gevallen dat [minderjarige] bij moeder verblijft; te bepalen dat vader [minderjarige] naar moeder moet brengen als zij [minderjarige] bezoekt in Nederland, op het adres waar zij dan verblijft, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vader heeft zelfstandig verzocht: - het gezamenlijk gezag te beëindigen en de vader met het eenhoofdig gezag te belasten. - te bepalen dat de moeder zal bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door het voldoen aan een bedrag van € 644,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met als ingangsdatum de datum van het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoekschrift, althans een bedrag aan kinderalimentatie en een ingangsdatum die de rechtbank juist acht; - de moeder te veroordelen in de proceskosten die de vader heeft moeten maken sinds juli 2024, te weten een bedrag van € 25.978,55, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na dagtekening van beschikking, en de nakosten, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. BeoordelingWijziging hoofdverblijfplaatsHoewel de moeder het verzoek om te bepalen dat [minderjarige] voortaan, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, zijn hoofdverblijf zal hebben bij de moeder als laatste verzoek (verzoek X) in haar verzoekschrift heeft genoemd, is dit verzoek het meest verstrekkend en zal de rechtbank dit verzoek opvatten als een primair verzoek, dat als eerste behandeling behoeft. Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Wettelijk kader In artikel 1:253a BW is bepaald dat de ouders in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening hun geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank kunnen voorleggen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Artikel 1:377e BW is van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat een vastgestelde hoofdverblijfplaats gewijzigd kan worden indien er nadien sprake is van een wijziging van omstandigheden of de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Ontvankelijkheid De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, gelet op het feit dat er op 22 augustus 2024 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in verband met de brief die [minderjarige] (in het kader van de informele rechtsingang) naar de rechtbank heeft gestuurd, waarin hij zijn wens kenbaar maakt om naar Zweden te verhuizen. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek. Standpunten van de ouders De moeder geeft aan dat zij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van september 2023 omdat zij zich destijds neerlegde bij de uitspraak. De moeder wilde en wil dat [minderjarige] gelukkig is en als dat bij de vader in Nederland is, dan zou zij daarin berusten. Echter, sinds het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader is bepaald gaat het steeds slechter met [minderjarige] . Hij heeft veel stressklachten, hij heeft suïcidale uitspraken gedaan en hij voelt zich niet altijd fijn bij de vader. [minderjarige] is niet gelukkig met de beslissing van september 2023 en hij geeft aan dat hij niet meer in Nederland wil wonen, maar in Zweden. Hij heeft deze wens aan meerdere instanties kenbaar gemaakt. In Zweden voelt [minderjarige] zich thuis, hij spreekt de taal vloeiend en hij heeft daar veel vrienden. Daarnaast hebben de ouders en [minderjarige] de Zweedse nationaliteit en de beide ouders hebben familie in Zweden. De moeder geeft verder aan dat het nooit de bedoeling van de ouders was om zich permanent in Nederland te vestigen. De ouders zijn slechts tijdelijk naar Nederland verhuisd voor een baan van de vader. De moeder is vervolgens noodgedwongen terug naar Zweden verhuisd, nadat zij haar baan in Nederland verloor en hier na diverse pogingen geen nieuwe baan kon krijgen. De moeder stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] niet zodanig geworteld is in Nederland dat dit een verhuizing van hem naar Zweden in de weg zou moeten staan. De vader geeft aan dat de moeder in 2023 om vervangende toestemming heeft gevraagd om met [minderjarige] naar Zweden te verhuizen. Dit verzoek is afgewezen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de vader in Nederland bepaald. De moeder heeft desondanks besloten zich in Zweden te vestigen. De vader stelt zich op het standpunt dat de brief van [minderjarige] , in het kader van de informele rechtsingang, niet op initiatief van [minderjarige] is geschreven, maar dat dit de wens van de moeder is. Zij hem heeft aangespoord om deze brief te schrijven. Uit het adviesverslag van de kindbehartiger blijkt ook dat er geen aanwijzingen zijn dat [minderjarige] daadwerkelijk naar Zweden wil verhuizen. Wanneer de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder in Zweden wordt vastgesteld maakt de vader zich zorgen dat hij wordt buitengesloten van elke vorm van gezamenlijk ouderschap. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank stelt voorop dat bij toewijzing van het verzoek van de moeder de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zou wijzigen naar Zweden. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dit moment in Nederland is, houdt het verzoek van de moeder impliciet een verhuizing van [minderjarige] naar Zweden in. De rechtbank zal daarom het juridisch kaderhanteren dat wordt toegepast bij verzoeken tot het verlenen van vervangende toestemming voor een (internationale) verhuizing. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het belang van het kind bij geschillen als deze altijd zwaarder weegt dan andere belangen, hoewel andere belangen niet genegeerd moeten worden. Bij de beoordeling dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Uit de jurisprudentie (Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) blijken de volgende criteria die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing: - het recht en belang van de moeder om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten; - de noodzaak voor de internationale verhuizing; - de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; - de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouderte verzachten en/of te compenseren; - de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; - de rechten van de niet-verhuizende ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg; - de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing; - de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin hij is geworteld in zijn/haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen. De rechtbank benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waarbij aan elk criterium afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden. Bij de te maken belangenafweging gaat het enerzijds om het belang van de moeder om haar leven in te vullen en samen met [minderjarige] in Zweden een leven op te bouwen en anderzijds om het belang van de vader om de zorgregeling op de huidige wijze vorm te kunnen blijven geven en onbelemmerd contact met [minderjarige] te kunnen hebben. Op grond van de stukken, dat wat op de zitting is besproken en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar in Zweden moet worden afgewezen. De rechtbank legt daaraan de volgende motivering ten grondslag. Voordat [minderjarige] geboren werd hebben de ouders er samen voor gekozen om naar Nederland te verhuizen. Volgens de Basisregistratie Persoonsgegevens zijn zij in 2013 ingeschreven in Nederland. Op [geboortedatum 1] 2014 is [minderjarige] in Nederland geboren en [minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte met zijn beide ouders in Nederland gewoond. Nadat de relatie van de ouders is geëindigd zijn de ouders in eerste instantie eveneens - afzonderlijk van elkaar - in Nederland blijven wonen. Met [minderjarige] . Na de beslissing van de rechtbank van september 2023 waarin het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar Zweden is afgewezen, heeft de moeder er voor gekozen om zonder [minderjarige] terug te keren naar Zweden. Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij momenteel aan Zweden gebonden is vanwege haar baan bij het Zweedse Ministerie van Buitenlandse Zaken en omdat haar familie daar woont. De rechtbank volgt de moeder hierin niet. Haar verzoek om vervangende toestemming is in september 2023 afgewezen en er zijn door de vrouw geen redenen gegeven, waarom de belangenafweging thans een andere uitkomst zou moeten hebben. De rechtbank is van oordeel dat de moeder ook niet heeft aangetoond dat er voor haar een economische noodzaak was, en nog steeds is, om in Zweden te wonen. Zij heeft op geen enkele manier onderbouwd of aangetoond dat zij geen inkomen zou kunnen genereren in Nederland en/of zo veel minder zou verdienen dat zij niet langer in Nederland zou kunnen wonen. Daar komt bij dat de moeder een appartement in Den Haag in eigendom heeft. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat dit appartement momenteel verhuurd wordt en binnenkort wordt verkocht, maar deze keuze komt voor rekening en risico van de moeder De rechtbank laat verder zwaar meewegen dat [minderjarige] naar haar oordeel geworteld is in Nederland. [minderjarige] is in Nederland geboren en zijn sociale en maatschappelijke leven speelt zich volledig in Nederland af. Hij gaat inmiddels na enkele wijzigingen van school naar een Nederlandstalige basisschool waar hij inmiddels gewend is en vriendjes heeft en hij zit op voetbal. Wanneer het verzoek van de moeder wordt toegewezen, heeft dit tot gevolg dat het leven van [minderjarige] ingrijpend wijzigt. Daarbij is de rechtbank, anders dan de moeder, niet gebleken dat [minderjarige] een eenduidige wens heeft om naar Zweden te verhuizen. Uit de twee gesprekken die de kinderrechter met [minderjarige] heeft gevoerd blijkt dat [minderjarige] het fijn vindt in Nederland en dat hij hier vriendjes en voetbal heeft. Wel heeft [minderjarige] aangegeven dat hij zijn moeder mist en haar vaker wil zien. De rechtbank gaat ervan uit dat de wens tot verhuizen daaruit voorkomt. Dat wordt bevestigd door het feit dat [minderjarige] ook heeft aangegeven dat hij het liefst om en om een jaar of half jaar bij zijn vader en moeder zou willen wonen. Daaruit leidt de rechtbank af dat [minderjarige] ongelukkig lijkt met het feit dat de vader en de moeder niet evenveel beschikbaar (kunnen) zijn. Dat is -zoals ook de Raad ter zitting heeft aangegeven- logisch voor een kind van zijn leeftijd. Vaststaat dat deze situatie niet zal veranderen, gelet op het feit dat de ouders allebei in een ander land wonen en de moeder kenbaar heeft gemaakt dat zij niet zal terugverhuizen naar Nederland. De rechtbank acht een verhuizing van [minderjarige] naar Zweden niet in zijn belang, gelet op zijn geworteldheid in Nederland en de ingrijpende wijzigingen die een verhuizing met zich meebrengt. Hier komt nog bij dat de moeder niet of nauwelijks is ingegaan op de andere hiervoor genoemde criteria, zoals een concrete invulling van de continuïteit van de zorgregeling en de rechten van de vader bij een verhuizing van [minderjarige] . Alsmede de rol van de communicatie van de ouders onderling. Dit had wel op de weg van de moeder gelegen. In dat kader weegt de rechtbank mee dat de vader sinds lange tijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is en dat een verhuizing naar Zweden een grote inperking van het contact tussen de vader en [minderjarige] zou betekenen. Dat er thans beperkte mogelijkheden zijn voor contact tussen de moeder en [minderjarige] is grotendeels het gevolg van het besluit van de moeder om te verhuizen naar Zweden. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de rechtbank van 29 september 2023, dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, in stand blijft. De rechtbank verwacht wel van de vader hij zich zal blijven inzetten om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te faciliteren. Gezag Als meest verstrekkend heeft de vader een verzoek gedaan tot eenhoofdig gezag, zodat de rechtbank dit verzoek hierna zal behandelen, alvorens te oordelen over de diverse (subsidiaire) verzoeken van de moeder en de andere verzoeken van de vader. Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek. Wettelijk kader Op grond van het eerste lid van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Volgens het tweede lid van dit artikel zijn het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW hierbij van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Standpunten van de ouders De vader heeft naar voren gebracht dat het voor partijen onmogelijk is gebleken om constructief met elkaar te overleggen over onderwerpen die betrekking hebben op de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] . De communicatie en de verstandhouding tussen partijen is zeer slecht. De moeder heeft sinds het uiteengaan van partijen het vaderschap van de vader gediskwalificeerd en de vader wordt niet als gelijkwaardig ouder behandeld. Het gezamenlijk gezag biedt de moeder een ingang om door te blijven gaan met haar juridische strijd om [minderjarige] naar Zweden te krijgen. Daarnaast heeft de moeder vanuit Zweden enkele beslissingen belemmerd, zoals het maken van een feitelijke afspraak op een bepaald tijdstip voor [minderjarige] bij een therapeut in Nederland. Het is van belang dat de hoofdverzorger van [minderjarige] over zulke zaken kan beslissen. De vader maakt zich ook zorgen over de beslissing die straks genomen moet worden over de middelbare school van [minderjarige] . Eerder is door de vader vervangende toestemming van de rechtbank nodig geweest en verkregen om [minderjarige] op een Nederlandse basisschool in plaats van een internationale school in te schrijven en de vader verwacht dat er opnieuw veel discussie zal ontstaan over de inschrijving van [minderjarige] op de middelbare school. Wanneer de vader belast wordt met het eenhoofdig gezag zal er voor [minderjarige] geen onzekerheid meer bestaan over zijn opgroeiperspectief en kan [minderjarige] gaan werken aan zijn ontwikkeltaken, school en zijn sociale leven in Nederland. Tevens stelt de vader dat hij er onder die omstandigheden voor zal blijven zorgen dat [minderjarige] zoveel als mogelijk onbelast contact kan hebben met de moeder. De moeder heeft naar voren gebracht dat het wijzigen van het gezag niet in het belang is van [minderjarige] . Bij de moeder bestaat de angst dat, wanneer de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast, de vader [minderjarige] steeds meer bij de moeder zal weghouden. De vader zal [minderjarige] zoveel mogelijk in Nederland willen houden en hem een sociaal druk leven in Nederland geven, waardoor omgang met de moeder zal worden beperkt. Toewijzing van het verzoek heeft tot gevolg dat [minderjarige] klem en verloren raakt en vervreemd raakt van de moeder. Inhoudelijke beoordeling Het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over de kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen op een wijze die niet belastend is voor [minderjarige] , althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] kunnen voordoen. Bij beschikking van 29 september 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten afgewezen. De rechtbank heeft in die beschikking overwogen dat ondanks de spanningen en juridische procedures tussen de ouders, het de ouders wel lukt om afspraken met elkaar te maken over de omgang. Verder overweegt de rechtbank dat beide ouders de contactmomenten tussen [minderjarige] met de andere ouder stimuleren. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie inmiddels is veranderd. De rechtbank stelt voorop dat tussen de ouders nog steeds sprake is van strijd en onderlinge spanningen, waarbij de strijd steeds verder verhardt door het over en weer aanspannen van (nieuwe) juridische procedures. De ouders lopen telkens vast in dezelfde negatieve en voor [minderjarige] zeer schadelijke patronen. [minderjarige] is hierdoor inmiddels klem en verloren geraakt tussen de ouders. Daarbij weegt de rechtbank als belangrijke factor mee dat de moeder thans (opnieuw) een procedure heeft aangespannen met vele verschillende verzoeken over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] die op zichzelf weliswaar gerechtvaardigd zijn, maar ook aantonen hoe ernstig het inmiddels met de (slechte) communicatie van de ouders is gesteld. Aan deze bijna voortdurende juridische procedures en de onzekerheid die deze voor [minderjarige] meebrengen moet een einde komen. Het is evident dat de ouders nu niet in staat zijn om in het belang van [minderjarige] constructief en positief met elkaar te communiceren en samen gezagsbeslissingen te nemen. Uit de stukken en de eerdere procedures blijkt dat de ouders het, met name op het gebied van de uitvoering van de zorgregeling, niet met elkaar eens kunnen worden. Over enige tijd zal [minderjarige] ook ingeschreven moeten worden op een middelbare school. De rechtbank acht aannemelijk dat het -net als bij de inschrijving op de Nederlandse basisschool- de ouders niet zal lukken om hierover tot overeenstemming te komen. Weliswaar is een en ander in september 2023 geen reden geweest om het gezamenlijk gezag te beëindigen, maar alles optellend acht de rechtbank de situatie waarin [minderjarige] thans is komen te verkeren en waarin zijn hoofverblijfplaats en de zorgregeling vrijwel voortdurend ter discussie staan zeer zorgelijk. Deze huidige situatie is niet langer houdbaar. De rechtbank verwacht ook niet dat de communicatie en de verstandhouding tussen de ouders binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Zij vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat de vader, als verzorgende ouder, beslissingen kan nemen zonder dat hij toestemming van de moeder nodig heeft. De rechtbank hoopt dat er hierdoor rust in de situatie en bij [minderjarige] zal ontstaan, met name ook ten aanzien van zijn opgroeiperspectief in Nederland en dat hij kan gaan werken aan zijn eigen ontwikkeling. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vader worden toegewezen en zal de vader worden belast met het eenhoofdig gezag. De rechtbank wijst de vader erop dat hij volgens de wet de plicht heeft om de moeder te informeren en te consulteren ten aanzien van belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Ten overvloede wijst de rechtbank, gelet op de zorgen van de moeder, de vader er ook op dat hij niet zomaar met [minderjarige] mag verhuizen naar het buitenland en dat hij onverkort verantwoordelijk is voor de nakoming van de regeling tussen [minderjarige] en de moeder. Immers, ook zonder gezag hebben [minderjarige] en de moeder recht op (onbelast) contact met elkaar zoals in eerdere beschikkingen is bepaald en in deze beschikking wordt gewijzigd. Omdat de vader met het eenhoofdig gezag zal worden belast, wordt hierna gesproken over een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling. Wijziging omgangsregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling. Wettelijk kader In artikel 1:377e BW is bepaald dat een van de ouders de rechtbank kan verzoeken een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling te wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden doordat het de ouders niet lukt om de door de rechtbank vastgestelde zorg- en vakantieregeling (strikt) na te leven. De moeder heeft kenbaar gemaakt dat de omgangsregeling is vastgesteld toen zij nog in Nederland woonde. Sinds de moeder in Zweden woont ondervindt zij (praktische) problemen bij de uitvoering en nakoming van de omgangsregeling en de vakantieregeling. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de moeder ontvangen in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling Twee keer per maand naar Zweden De moeder verzoekt te bepalen dat [minderjarige] een keer per twee maanden een weekend naar de moeder in Zweden komt bijvoorbeeld elk derde weekend van respectievelijk september, november, januari, april en juni. De moeder vindt het belangrijk dat het omgangsmoment tussen haar en [minderjarige] ook in een huiselijke setting in Zweden plaatsvindt. Wanneer [minderjarige] een keer per twee maanden naar Zweden komt zal hij slechts vier à vijf voetbalwedstrijden missen. De moeder geeft verder aan dat zij niet langer beschikt over een woning of een logeeradres in Nederland, waardoor het voor haar te duur wordt om telkens naar Nederland te vliegen en een hotel te nemen. De moeder heeft op dit moment nog een appartement in Den Haag, maar dat verhuurt zij en het appartement wordt binnenkort verkocht. De vader geeft aan dat het verzoek van de moeder zal zorgen voor onduidelijkheid bij [minderjarige] . Het is van belang dat [minderjarige] begrijpt dat zijn leven en zijn sociale netwerk in Nederland zijn. Bij toewijzing van het verzoek zal het sociale leven van [minderjarige] in Nederland onder druk komen te staan, onder meer zijn sportactiviteiten in het weekend. Ook is het voor [minderjarige] belastend om buiten de schoolvakanties naar Zweden te reizen. Daarom heeft de rechtbank in september 2023 ook bepaald dat de zorgregeling in Nederland uitgevoerd moet worden. Verder geeft de vader aan dat de moeder nog beschikt over een gemeubileerd appartement in Den Haag, dat zij op dit moment verhuurt. De moeder zou de overeenkomst hiervan kunnen opzeggen voor dringend eigen gebruik. De rechtbank is van oordeel dat het te belastend zou zijn voor [minderjarige] om, naast de keren dat hij tijdens vakanties naar de moeder in Zweden reist, een keer per twee maanden een weekend naar Zweden te reizen. Dit, vanwege zijn sociale (sport-) activiteiten in het weekend. Daarnaast vraagt het heen en weer reizen naar Zweden voor een relatief korte duur veel van [minderjarige] . Verder bestaat het risico dat deze regeling voor veel onrust zal zorgen bij [minderjarige] vanwege de gebrekkige communicatie tussen de ouders en vanwege het feit dat zijn schema hiermee (nog) minder overzichtelijk wordt. De rechtbank ziet wel dat het heen en weer reizen ook voor de moeder belastend is en zal daarom bepalen dat [minderjarige] , in de jaren dat hij tijdens de herfstvakantie bij de vader is, in het eerste omgangsweekend van oktober naar de moeder in Zweden gaat. Herfstvakantie en kerstvakantie Bij beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 8 maart 2023 en bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 september 2023 is bepaald dat [minderjarige] tijdens de kerstvakantie en de herfstvakantie in de even jaren bij de vader is en in de oneven jaren bij de moeder. De moeder heeft haar verzoek in het kader van de herfstvakantie ingetrokken. De rechtbank heeft op dit punt dus niets meer te beslissen. Ten aanzien van de kerstvakantie verzoekt de moeder deze vakantie bij helfte te verdelen. De vader vindt het belangrijk [minderjarige] tijdens de kerstvakantie twee aaneengesloten weken bij een van de ouders verblijft. De vader wil de huidige regeling dan ook voortzetten. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij tijdens de kerstvakantie twee aaneengesloten weken bij een van de ouders is. Dit, om onrust en veel heen en weer reizen te voorkomen. Hemelvaart en Pinksteren De moeder verzoekt te bepalen dat [minderjarige] tijdens het Hemelvaartsweekend bij de moeder is en tijdens Pinksteren bij de vader, omdat in Zweden Pinksteren niet wordt gevierd. De vader kan zich niet verenigen met het verzoek van de moeder. De vader heeft een voorkeur voor een gelijke en roulerende verdeling. Het exclusief toewijzen van bepaalde vakanties of feestdagen aan één ouder kan ertoe leiden dat de verdeling er van jaar tot jaar er ongelijk uit gaat zien. Daarnaast wil de vader ook de mogelijkheid hebben om, om het jaar, met [minderjarige] tijdens Hemelvaart weg te gaan. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van de moeder toe te wijzen, in die zin dat [minderjarige] tijdens het Hemelvaartsweekend bij de moeder is en tijdens het weekend en de maandag waarop de Pinksterdagen vallen bij de vader, omdat een verdeling van deze feestdagen voor duidelijkheid zorgt en omdat Pinksterenmaandag geen officiële vrije dag meer is in Zweden en in Nederland wel. De rechtbank is van mening dat deze beslissing ook het belang van duidelijkheid voor [minderjarige] biedt en dit prevaleert boven de wens van vader om specifiek met Hemelvaart met [minderjarige] weg te kunnen. Aanvang en einde vakanties Op de zitting is besproken dat de vakanties aanvangen op vrijdagmiddag direct na school, (dus de dag voordat de vakantie begint), en dat de vakanties eindigen op de dag voordat de school begint. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen. Ophalen en terugbrengen De moeder verzoekt te bepalen dat de moeder [minderjarige] op vrijdag zal ophalen, anderhalf uur nadat haar vliegtuig is geland. Het is voor de moeder niet altijd mogelijk om [minderjarige] direct na school op te halen, omdat de moeder vanwege haar werkagenda niet altijd in de gelegenheid is een vroege vlucht te nemen. Daarnaast is zij afhankelijk van de vliegtijden en de beschikbare vliegtickets. De moeder stelt voor om twee maanden voorafgaand aan het omgangsmoment haar exacte tijd van aankomst door te geven aan de vader. Daarnaast verzoekt de moeder te bepalen dat de vader [minderjarige] naar de moeder brengt, wanneer zij in Nederland is. Het is voor moeder niet mogelijk om van en naar het huis van vader te fietsen met een eigen koffer en een tas voor [minderjarige] . Ook verzoekt zij te bepalen dat de vader verplicht is om [minderjarige] , wanneer [minderjarige] naar Zweden komt, op tijd naar het vliegveld te brengen. Mocht [minderjarige] een vlucht missen dan moet de vader de kosten van het vliegticket aan moeder te vergoeden. De vader kan zich niet vinden in het verzoek van de moeder om vast te stellen dat zij [minderjarige] op vrijdag anderhalf uur nadat haar vliegtuig is geland ophaalt. Het voorstel van de moeder zal voor onzekerheid, onduidelijkheid en onrust zorgen. Daarnaast heeft de vader dan geen vrijheid meer om zelf plannen te maken op vrijdag, omdat de vader dan steeds afhankelijk zal zijn van de aankomsttijd van de moeder. De huidige regeling is duidelijk en voorspelbaar voor [minderjarige] . Verder geeft de vader aan dat er per dag zeven rechtstreekse vluchten van [plaats 1] naar [plaats 2] vliegen. De moeder kan haar vlucht tijdig boeken, nu de planning wanneer [minderjarige] bij de moeder is al vaststaat. Verder kan de vader zich niet verenigen met het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader [minderjarige] naar de moeder moet brengen. De moeder hoeft niet te fietsen, zij kan ook gebruik maken van het openbaar vervoer of een taxi. De vader verzoekt afwijzing van het verzoek van de moeder om vast te stellen dat de vader [minderjarige] tijdig naar het vliegveld moet brengen. De vader komt zijn afspraken in dit kader altijd na. Het ligt daarbij wel op de weg van de moeder om op voorhand de vliegtijden met de vader af te stemmen. De moeder heeft eerder zonder overleg een vliegticket geboekt op een voor de vader lastig tijdstip. De vader geeft aan dat hij zich flexibel opstelt en dat hij bereid is om dat te blijven doen, maar dan is het wel van belang dat de moeder de vader voldoende betrekt. De rechtbank is van oordeel dat het voor [minderjarige] van belang is dat hij duidelijkheid ervaart over de omgangsregeling. Zoals [minderjarige] in zijn gesprekken met de kinderrechter al aangaf vindt hij het vervelend dat die duidelijkheid ontbreekt. Het is daarom belangrijk dat de moeder altijd op dezelfde tijd aanwezig is om [minderjarige] op te halen. Wanneer de moeder niet aanwezig is op het afgesproken tijdstip kan dat teleurstelling veroorzaken bij [minderjarige] . De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige] om vast te stellen dat de moeder anderhalf uur nadat haar vlucht is geland [minderjarige] komt ophalen, omdat [minderjarige] en de vader dan niet weten waar zij aan toe zijn en dit voor veel onrust zal zorgen. Gelet op het feit dat de planning al vaststaat kan de moeder ruim van te voren een vliegticket boeken, waarbij zij rekening kan houden met de ophaaltijd van [minderjarige] op school. Omdat de moeder op de zitting heeft aangegeven dat het haar niet altijd lukt om een vroege vlucht te nemen, vanwege haar werk, ziet de rechtbank aanleiding om vast te stellen dat zij altijd twee maanden voorafgaand aan het contactmoment aan de vader kenbaar maakt op welk tijdstip zij [minderjarige] precies komt ophalen. Indien het haar niet lukt om [minderjarige] om 15.00 uur van school op te halen kan de moeder, in uitzonderingsgevallen, een tijdstip tussen 15.00 uur en 20.00 uur doorgeven om [minderjarige] op te halen bij de vader. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om vast te stellen dat de vader [minderjarige] naar de moeder brengt afwijzen. Ten aanzien van het verzoek van de moeder dat de vader [minderjarige] tijdig naar het vliegveld moet brengen overweegt de rechtbank als volgt. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat het slechts eenmaal is voorgevallen dat [minderjarige] niet op tijd bij het vliegveld was en dat daarbij het gebrek aan communicatie tussen de ouders – lees: voorafgaand overleg over vluchttijden en mogelijkheden van de andere ouder – debet is geweest. De rechtbank zal het verzoek daarom bij gebrek aan belang afwijzen. In uitzonderingsgevallen kunnen zij in onderling overleg van de regeling afwijken. Omdat de ouders allebei in een ander land wonen en het voorkomt dat een planning anders loopt dan verwacht, verwacht de rechtbank dat de ouders elkaar hierin wel enige flexibiliteit gunnen. Hetzelfde geldt in geval van een langer weekend vrij door bijvoorbeeld feestdagen of studiedagen. Ook dat ziet de rechtbank als uitzonderingsgevallen waarbij de rechtbank verwacht dat de ouders niet altijd onverkort vasthouden aan de vastgelegde zorgregeling en elkaar en [minderjarige] enige flexibiliteit gunnen. De rechtbank geeft de ouders verder mee dat zij een schema kunnen ophangen voor [minderjarige] waar de planning uit blijkt, zodat [minderjarige] duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart over de omgangsregeling. Weekendtas Op de zitting is afgesproken dat de vader alle spullen inpakt die [minderjarige] tijdens het weekend met de moeder nodig heeft, inclusief zijn voetbalspullen. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze afspraak in het dictum opnemen, omdat deze afspraak ziet op een uitvoering van de omgangsregeling. Wijziging kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek. Op het alimentatieverzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Wettelijk kader Op grond van het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De vader stelt zich op het standpunt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, in die zin dat hij alle kosten voor de verzorging en de opvoeding voor zijn rekening neemt, zonder dat de moeder daarin iets bijdraagt. De beslissing van de moeder om zich in Zweden te vestigen mag volgens de vader geen reden zijn om niet te hoeven bijdragen in de kosten voor [minderjarige] . Verder heeft de vader aangegeven dat zijn financiële situatie gewijzigd is door de hoge advocaatkosten en de kosten van de juridische procedures die door de moeder worden aangespannen. De moeder betwist dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder draagt bij in de kosten voor [minderjarige] door schoenen, kleding en sportbenodigdheden te kopen. Daarnaast draagt de moeder alle reiskosten voor haarzelf en voor [minderjarige] . Verder heeft de moeder ook hoge advocaatkosten. De rechtbank zal de vader ontvangen in zijn verzoek omdat hij voldoende heeft gemotiveerd dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank zal hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging in de kinderalimentatie. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank vindt het redelijk om voor de ingangsdatum aan te sluiten bij de datum van de indiening van het verzoek (het zelfstandig verzoek in het aanvullend verweerschrift van de vader), zijnde 27 januari 2025, aangezien de moeder vanaf deze datum rekening had kunnen houden met een verplichting tot het betalen van kinderalimentatie. De rechtbank zal daarom 1 februari 2025 als ingangsdatum hanteren. Behoefte De ouders zijn het eens dat de behoefte van [minderjarige] , geïndexeerd naar 2025, € 1.007,- per maand bedraagt. Draagkracht vader De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vader uitgaan van een bruto arbeidsinkomen van afgerond € 6.111,- per maand, zoals blijkt uit de drie meest recente salarisspecificaties van december 2024, januari 2025 en februari 2025, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Verder houdt de rechtbank rekening met de ingehouden pensioenpremie van € 279,- per maand en de aanvullende pensioenpremie van € 25,- per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget. Tot slot houdt de rechtbank rekening met aflossing van advocaatkosten van € 500,- per maand, nu deze kosten vallen onder niet-vermijdbare en niet-verwijtbare lasten, die drukken op het inkomen van de vader. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 4.748, - per maand. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125 zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – ((0,3 x NBI) + € 1.310,- + advocaatkosten)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ € 4.748,- – (€ 1.424,- + € 1.310,- + € 500,-)] = afgerond € 1.060,- per maand. Draagkracht moederDe moeder verzoekt om bij de berekening van haar draagkracht uit te gaan van haar inkomen uit arbeiden verder rekening te houden met advocaatkosten van € 500,- per maand en met € 500,- aan bijzondere kosten, zijnde de kosten die zij maandelijks moet maken om naar Nederland te reizen. De moeder ontvangt geen dertiende maand en zij ontvangt circa € 50,- aan vakantiegeld. Ten aanzien van de inkomsten uit verhuur geeft de moeder aan dat zij zich twee woningen niet meer kan permitteren. Vanaf 1 maart 2025 zal haar appartement geen huuropbrengsten meer opleveren en zal het appartement ter verkoop worden aangeboden. De moeder zal vanaf eind maart/eind april 2025 aldus geen huurinkomsten meer genereren van € 1.700,-, meer genereren, noch kosten hebben terzake het appartement. De vader stelt zich op het standpunt dat geen rekening gehouden moet worden met de reiskosten van de moeder, omdat de moeder zelf heeft besloten om terug te verhuizen naar Zweden. De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de moeder uit van een jaarinkomen van 50.600 Zweedse kronen, omgerekend € 52.613,-, zoals blijkt uit haar jaaropgaaf. De rechtbank zal daarbij geen rekening houden met 8% vakantietoeslag, omdat de moeder heeft aangegeven dat zij slechts € 50,- aan vakantiegeld ontvangt. De rechtbank ziet, ondanks dat de moeder in Zweden woont, aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de moeder rekening te houden met de Nederlandse heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, waar de moeder in haar berekening ook rekening mee houdt. De rechtbank ziet verder aanleiding om rekening te houden met de huurinkomsten van de moeder van haar appartement in Nederland, omdat het onduidelijk is of en wanneer de woning wordt verkocht en de moeder haar stelling ook niet met stukken heeft onderbouwd. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de moeder van € 1.409,- per maand, nu deze kosten niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, terwijl de rechtbank ervan uit gaat dat deze woonlasten naar Zweedse maatstaven ook niet onredelijk zijn. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om rekening te houden met de bijzondere kosten overweegt de rechtbank als volgt. Ondanks dat de moeder er zelf voor heeft gekozen om naar Zweden te verhuizen vindt de rechtbank het redelijk om rekening te houden met € 500,- per maand aan bijzondere kosten, vanwege de kosten die zij moet maken in verband met haar reizen van Zweden naar Nederland en weer terug. Het staat immers vast dat de moeder deze kosten maandelijks moet maken. Tot slot houdt de rechtbank ook ten aanzien van de moeder rekening met aflossing van advocaatkosten van € 500,- per maand, nu deze kosten vallen onder niet-vermijdbare en niet-verwijtbare lasten, die drukken op het inkomen van de moeder. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 5.037, - per maand. Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125 zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (werkelijke woonlasten + € 1.310,- + advocaatkosten + bijzondere kosten)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [ € 5.037,- – (€ 1.409,- + € 1.310,- + € 500,- + € 500,-)] = € 923,- per maand. DraagkrachtvergelijkingDe gezamenlijke draagkracht van beide ouders is (€ 1.060 + € 923) € 1.983,- per maand. Deze gezamenlijke draagkracht is voldoende om in de volledige behoefte van [minderjarige] , van € 1.007,- per maand, te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.060 / 1.983 x 1.007 = € 538Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 923 / 1.983 x 1.007 = € 469samen € 1.007 Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 538, - per maand, voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 469, - per maand voor rekening van de moeder. Zorgkorting Tussen de ouders is in geschil welk zorgkortingspercentage gehanteerd moet worden. De vader rekent met een zorgkorting van 15% en de moeder met een zorgkorting van 25%. Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de omgangsregeling vindt de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 25% van de behoefte, ofwel afgerond € 252,- per maand. Dit betekent dat € 252,- per maand in mindering komt op het eigen aandeel van de moeder (€ 469,- – 252,- = € 217,-), naast de kosten van € 500,- die verband houden met het reizen voor de omgangsregeling. Conclusie Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank een door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie zal vaststellen van € 217,- per maand, met ingang van 1 februari 2025. Aanhechten berekening De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit. Proceskosten Wettelijk kader Op grond van artikel 289 Rv in samenhang bezien met artikel 237 en verder Rv, kan de rechtbank – al dan niet ambtshalve – een proceskostenveroordeling uitspreken. Standpunten van de ouders De vader stelt zich op het standpunt dat sinds het verbreken van de relatie de moeder zes procedures heeft aangespannen, waarbij de vader voor diverse procedures steeds genoodzaakt is geweest zich te laten bijstaan door een advocaat. Duidelijk is dat de moeder door wenst te gaan met procederen tot haar doel is bereikt, te weten [minderjarige] naar Zweden krijgen. Het verzoek van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is een verkapt hoger beroep. De vader is van mening dat de moeder veroordeeld moet worden in de werkelijke proceskosten van de vader ten behoeve van de procedures C/09/667215 en C/09/673260, voor een bedrag van € 25.978,55. De moeder stelt zich op het standpunt dat volgens vaste rechtspraak de kosten gecompenseerd moeten worden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. De door de rechtbank op 29 september 2023 vastgestelde zorgregeling is vastgesteld zonder dat de ouders enige ervaring hadden met het uitvoeren van een internationale omgangsregeling. Het is dan ook niet meer dan logisch dat er praktische problemen zijn ontstaan, waardoor de moeder een verzoek tot wijziging doet. Voorts is de moeder van mening dat de vader mede verantwoordelijk is voor de procedures die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden. De door de vader opgevoerde advocaatkosten zijn verder exceptioneel hoog. Inhoudelijke beoordeling In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. In veel gevallen moeten partijen nog met elkaar door, bijvoorbeeld als ouders van hun kinderen, wat in deze situatie ook het geval is. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij. Deze nodeloze kosten kunnen dan ten laste worden gebracht van de partij die deze heeft veroorzaakt. Hieronder vallen ook nodeloze kosten die zijn veroorzaakt doordat onnodig wordt geprocedeerd. De rechtbank ziet in het door de vader gestelde onvoldoende aanleiding om van voornoemde hoofdregel af te wijken. De moeder heeft het recht om een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling in te dienen. De moeder heeft daarbij met redenen onderbouwd dat ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling sprake is van gewijzigde omstandigheden. Bovendien zijn de kosten van de vader ook gemaakt in het kader van de eigen verzoeken van de vader. Hiertegen heeft de moeder zich weer moeten verweren. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van nodeloze kosten. De rechtbank zal het verzoek van de vader op dit punt daarom afwijzen en bepalen dat de proceskosten conform de hoofdregel worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Brief aan [minderjarige] De kinderrechter heeft [minderjarige] een brief geschreven. De inhoud van de brief luidt als volgt: Beste [minderjarige] , We hebben elkaar een paar weken geleden voor de tweede keer gesproken. Dat was niet zo’n lang gesprek. Jij vertelde mij weer dat je het heel moeilijk vindt dat je vader en je moeder niet bij elkaar in de buurt wonen en dat je het allerliefst evenveel bij je vader en je moeder zou zijn. Helaas kan dat niet, omdat je vader in Nederland woont en je moeder in Zweden. Na ons gesprek is de rechtszitting geweest en heb ik samen met twee andere rechters met je vader en je moeder gesproken. Dat ging vooral over bij wie jij woont, wanneer je bij je vader of je moeder bent en wie de belangrijke beslissingen over jou kan nemen. Na de rechtszitting hebben we lang nagedacht en een beslissing genomen. Wij hebben besloten dat jij niet bij je moeder in Zweden gaat wonen. De belangrijkste reden daarvoor is dat je hier in Nederland naar school gaat en dat je hier ook op voetbal zit. Op school en op voetbal heb je vrienden. Je bent al twee keer van school gewisseld en dat was best moeilijk voor je. Daarom vinden we het belangrijk dat je in Nederland blijft en niet weer ergens anders op school moet gaan beginnen en nieuwe vrienden moet maken. We vinden het wel belangrijk dat je je moeder vaak blijft zien in de weekenden en in de vakanties. Wij hebben beslist wanneer dat dan zal zijn en we hopen dat dat voor jou nu ook helemaal duidelijk is. We hebben daarbij aan je vader en moeder voorgesteld om voor jou een kalender te maken, zodat jij altijd weet wanneer je moeder hier komt of jij naar je moeder gaat en wanneer je vakantie hebt met je moeder. We hebben ook aan je vader verteld dat jij het fijn zou vinden om vaker leuke dingen met hem te doen. Verder hebben we besloten dat je vader voortaan de belangrijke beslissingen over jou mag nemen, omdat je vader en moeder het heel moeilijk vinden om dat samen te doen en er soms toch beslissingen moeten worden genomen. Het is wel belangrijk dat je vader, voordat hij een beslissing neemt, weet wat voor jou en je moeder belangrijk is. Die belangrijke beslissingen gaan bijvoorbeeld over school. Niet over wanneer jij je moeder ziet, want daarover hebben wij een beslissing genomen. We denken dat dit zo het beste voor jou is, ook al kunnen we er niet voor zorgen dat het zo wordt als jij het liefste zou willen. Ik wens je veel succes op school en op voetbal. Met vriendelijke groet, De kinderrechter BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 8 maart 2023 van het Gerechtshof Den Haag en de beschikking van 29 september 2023 van deze rechtbank– : *bepaalt dat voortaan alleen aan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1979 te [geboorteplaats 2] , Kameroen, het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ; *bepaalt dat, in het kader van de vaststelling van de omgangsregeling en de verdeling van de feest- en vakantiedagen: de moeder twee maanden voorafgaand aan het omgangsmoment met [minderjarige] aan de vader kenbaar maakt op welk tijdstip zij [minderjarige] komt ophalen, waarbij zij [minderjarige] om 15.00 uur van school ophaalt, maar zij, in uitzonderingsgevallen, [minderjarige] bij de vader ophaalt tussen 15.00 uur en 20.00 uur; de vakanties aanvangen op vrijdagmiddag na school, te weten de dag voordat de vakantie begint; de vakanties eindigen op de dag voordat de school weer begint; [minderjarige] tijdens de herfstvakantie in de even jaren bij de vader is en in de oneven jaren bij de moeder; [minderjarige] tijdens de kerstvakantie in de oneven jaren bij de vader is en in de even jaren bij de moeder. [minderjarige] in de jaren dat hij tijdens de herfstvakantie bij de vader verblijft hij in het eerste weekend van oktober naar de moeder in Zweden gaat; [minderjarige] tijdens het Hemelvaartsweekend vanaf woensdagmiddag uit school bij de moeder is; [minderjarige] tijdens het weekend waarin Pinksteren valt en de Pinkstermaandag, bij de vader is; *bepaalt dat de moeder aan de vader, per 1 februari 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 217,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; *bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; *verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; *wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, mr. A.C. Olland en mr. M.E. Visser, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 mei 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.