← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20119

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/2867 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen [eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: A. Salman-Goleli). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun herzieningsverzoek. 1.
  2. Verweerder heeft het herzieningsverzoek met het primaire besluit van 13 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 februari 2024 op het bezwaar van eisers heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. 1.
  3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit
  6. Op 15 april 2022 heeft verweerder de bijstand van eisers ingetrokken, herzien en teruggevorderd over de periode 13 februari 2019 tot en met 31 januari 2022 op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (Pw) vanwege ontvangen vermogen uit een erfenis. Ten aanzien van deze – inmiddels onherroepelijke – besluiten hebben eisers op 14 november 2022 een herzieningsverzoek ingediend bij verweerder. Verweerder heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en heeft het herzieningsverzoek met het primaire besluit afgewezen.
  7. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder blijkt uit het herzieningsverzoek niet dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, en ook niet uit de bijgesloten stukken (een verklaring van erfrecht en het testament). Voor de discussie of de besluiten van 15 april 2022 juist zijn of niet is geen plaats bij een herzieningsverzoek volgens verweerder. Dat eisers bezwaar hebben ingesteld tegen het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 15 april 2022 maakt dit niet anders. Op 12 mei 2022 heeft de toenmalige advocaat dit bezwaar schriftelijk ingetrokken. Beoordeling door de rechtbank
  8. Eisers zijn van mening dat verweerder op onjuiste gronden de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd na het overlijden van de moeder van eiseres. Eiseres is als erfgename aangewezen door haar moeder, maar er blijkt sprake te zijn van een langstlevendentestament. Aangezien de vader van eiseres nog leefde ten tijde van het overlijden van haar moeder, ging de erfenis naar haar vader. Pas toen haar vader overleed werd de erfenis verdeeld onder alle erfgenamen. Eisers vinden dat verweerder rekening had moeten houden met het feit dat pas na het overlijden van haar vader de exacte omvang van de erfenis kon worden vastgesteld. Toen kon pas worden bepaald welk deel van de bijstand moest worden verrekend. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden van eiseres die van invloed zijn geweest op zowel de hoogte van haar erfenis, als het recht op bijstand en de hoogte van het terug te vorderen bedrag.
  9. Het herzieningsverzoek van eisers is erop gericht dat verweerder terugkomt van de besluiten van 15 april 2022, met andere woorden dat besluit herziet.
  10. Als de termijn waarbinnen tegen een besluit bezwaar, beroep of hoger beroep kan worden ingesteld ongebruikt is verstreken of als het gebruik van die rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit (het oorspronkelijke besluit). Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
  11. Verweerder heeft het herzieningsverzoek op deze vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
  12. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat is het geval als de oorspronkelijke beslissing evident onredelijk is.
  13. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder tot herziening van de besluiten van 15 april 2022 had moeten overgaan. De feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd waren reeds bij het nemen van dit besluit bekend.
  14. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van evident onredelijke besluiten. Verweerder heeft rekening gehouden met het langstlevendentestament. Van een onmiskenbaar onjuiste afwijzing van het herzieningsverzoek is daarom ook geen sprake.
  15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli
  16. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.