← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20125

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5776 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder (gemachtigde: mr. D. de Borst-Mok). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag (de toeslag) en de beëindiging van de bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). 1.
  2. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 21 november 2023 (primair besluit 1) afgewezen. 1.
  3. Verweerder heeft de bijstand met het besluit van 21 november 2023 (primair besluit 2) beëindigd. Dit besluit heeft verweerder herzien met het besluit van 23 november 2023 (primair besluit 3). 1.
  4. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag voor de toeslag en de beëindiging van de bijstand gebleven. 1.
  5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  6. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit
  8. Eiser ontvangt sinds 24 april 2018 bijstand naar de alleenstaande norm. Hij heeft op 10 november 2023 een aanvraag ingediend bij verweerder voor de toeslag. Eiser heeft laatstelijk de toeslag ontvangen per 30 december
  9. Op 19 november 2023 zal eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. 2.
  10. Verweerder heeft met primair besluit 1 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser. Omdat eiser per 30 december 2022 de toeslag toegekend heeft gekregen, komt eiser pas weer in aanmerking voor de toeslag per 30 december
  11. Maar omdat eiser op 19 november 2023 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voldoet hij dan niet (meer) aan de voorwaarden voor toekenning van de toeslag. 2.
  12. Vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van eiser heeft verweerder met primair besluit 2 het recht op bijstand per 14 november 2023 beëindigd. Dit besluit heeft verweerder herzien met primair besluit 3, omdat verweerder een verkeerde datum heeft gehanteerd. Eiser bereikt namelijk op 19 november 2023 de pensioengerechtigde leeftijd en daarom dient per die datum de bijstand te worden beëindigd, in plaats van al op 14 november
  13. 2.
  14. In het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaarschriften beslist en de primaire besluiten 1 en 3 in stand gelaten. Het bezwaar van eiser ten aanzien van de beëindiging van zijn bijstand heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Beoordeling door de rechtbank
  15. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de toeslag en de beëindiging van de bijstand. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Wat vindt eiser?
  16. Eiser richt zich tegen het bestreden besluit voor zover het ziet op de handhaving van de afwijzing van de toeslag. Eiser geeft aan dat de ingangsdatum van de Individuele Inkomenstoeslag als minimabeleid, per 1 oktober 2020, van belang is voor het bepalen van het recht op de toeslag. Verder vindt eiser dat, omdat verweerder niet is ingegaan op zijn bezwaargronden, de toeslag moet worden toegekend. In bezwaar had eiser, naast de grond met betrekking tot de ingangsdatum, aanvullend aangevoerd dat hij zijn aanvraag op tijd had ingeleverd voor (het bereiken van) de AOW leeftijd en daarom nog een deel van het jaar tegoed had. Wat oordeelt de rechtbank?
  17. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de beëindiging van zijn bijstand. Dit laat de rechtbank dan ook verder onbesproken. Enkel ter beoordeling ligt de afwijzing van de toeslag van eiser.
  18. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat eiser op 19 november 2023 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
  19. Artikel 36, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.
  20. Artikel 36, derde lid, van de Pw bepaalt dat indien aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan zijn verzoek, een individuele inkomenstoeslag is verleend, het verzoek wordt afgewezen.
  21. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel
  22. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de regels, bedoeld in het eerste lid, voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.
  23. De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw bedoelde verordening is de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2023 (hierna: de Verordening).
  24. Artikel 3 van de Verordening stelt, in overeenstemming met de wet, dat degene die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens als degene die in de periode van 12 maanden voorafgaand aan zijn verzoek reeds de toeslag toegekend heeft gekregen, geen recht heeft op de toeslag.
  25. Volgens verweerder is in dit geval de peildatum 30 december 2023, omdat de vorige toekenning heeft plaatsgehad per die datum één jaar eerder. Volgens eiser is de datum van de inwerkingtreding van de toeslag in zijn algemeenheid, 1 oktober 2020, van belang. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat vanwege die inwerkingtreding elk jaar 1 oktober als peildatum heeft te gelden. 12.
  26. Blijkens de meegezonden bijlage bij het bezwaar van eiser vervangt de toeslag als aanvullende inkomensondersteuning per 1 oktober 2020 het Persoonsondersteunend budget / de Inspanningspremie. 12.
  27. De datum van inwerkingtreding van deze sociale voorziening heeft echter geen invloed op de datum waarop eiser specifiek in het jaar 2023 recht op de toeslag zou kunnen hebben. De datum waarop een recht op de toeslag ontstaat, mits is voldaan aan alle voorwaarden, verschilt per individueel geval. Op grond van de wet - artikel 36, derde lid, Pw - hangt dit namelijk af van het moment van indiening van een verzoek en daaruit voortvloeiend de datum van toekenning van de toeslag aan de desbetreffende verzoeker. Elk volgend verzoek is zo gebonden aan de datum van die eerdere toekenning. Dit geldt dus ook voor eiser.
  28. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit de afwijzing voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft gesteld dat eiser vier weken voor hij weer recht zou kunnen hebben op de toeslag – dus vier weken voor 30 december 2023 – de toeslag opnieuw kon aanvragen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld verschuift hiermee het moment van het ontstaan van het recht op de toeslag niet. Omdat eiser echter op dat moment reeds de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, bestond er voor hem geen recht meer op de toeslag. Een recht op een deel van de toeslag, zoals eiser voor ogen staat, kan gelet op de systematiek van de wet niet ontstaan.
  29. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. BeslissingDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus
  31. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.