← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20277

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.14131 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1997, van Iraakse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. B.W. Zagers). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [gezinslid] ’ (de broer van eiser en referent in deze zaak). 1.
  2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2021 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.
  3. Op 18 mei 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Met het besluit van 31 mei 2023 heeft eiser alsnog op het bezwaar beslist en het bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen had op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb ook betrekking op dit besluit. 1.
  4. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep bij uitspraak van 4 januari 2024 gegrond verklaard, het besluit van 31 mei 2023 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. 1.
  5. Met het bestreden besluit van 4 maart 2024 heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. 1.
  6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank
  8. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een mvv. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
  9. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en achtergrond
  10. Eiser is de jongere broer van referent. Zij zijn beide Jezidi’s en afkomstig uit Irak. Het gezin bestaat verder uit hun moeder, de tweelingbroer van referent en twee zussen. De vader van eiser en referent is in 2003 overleden. In 2014 is het gezin voor IS gevlucht naar een vluchtelingenkamp in Koerdistan. In 2016 zijn de moeder, de tweelingbroer van referent en de twee zussen uit het vluchtelingenkamp vertrokken en is eiser met referent achtergebleven. Referent is in 2019 uit Irak vertrokken en heeft op 6 november 2020 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Referent heeft vervolgens een aanvraag voor een mvv ingediend om met eiser herenigd te worden. 4.
  11. De minister heeft deze aanvraag in het besluit van 26 april 2021, gehandhaafd in het besluit van 31 mei 2023, afgewezen omdat de minister niet volgt dat er tussen eiser en referent sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister is het jongvolwassenenbeleid namelijk niet op hen van toepassing. Daarnaast is er volgens de minister tussen eiser en referent geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. 4.
  12. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 31 mei 2023 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat de minister in dit besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent heeft aangenomen. Het bestreden besluit
  13. In het bestreden besluit heeft de minister zich opnieuw op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent, en dat er daarom geen beschermenswaardig gezinsleven tussen hen bestaat, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat deze in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft de mvv-aanvraag van eiser daarom afgewezen. Zelfstandig functioneren
  14. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 4 januari 2024 door in het bestreden besluit opnieuw te veel waarde te hechten aan de vraag of eiser in Irak zelfstandig kan functioneren. 6.
  15. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 januari 2024 het volgende overwogen: “6.
  16. De rechtbank stelt allereerst vast dat de staatssecretaris ten onrechte veel waarde hecht aan de kwestie of eiser zonder zijn broer zelfstandig kan functioneren of zichzelf staande kan houden. Uit de hierboven genoemde jurisprudentie van het EHRM volgt dat moet worden beoordeeld of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door de toetsing met name te beperken tot de vraag of eiser zonder zijn broer in staat is zelfstandig te functioneren, werpt de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank een te hoge lat op die niet uit rechtspraak van het EHRM volgt.” 6.
  17. De minister heeft in het bestreden besluit onder meer de volgende passages opgenomen: “Van meerderjarigen mag in beginsel worden verwacht dat zij zich zelfstandig staande kunnen houden in het land van herkomst.” (…) “Tot slot redt uw broertje zich tot op heden ook zonder de samenwoning, met u of een ander familielid.” (…) “Tijdens de hoorzitting heeft de IND u gevraagd naar de dagelijkse activiteiten van uw broertje. U hebt gezegd dat hij niks bijzonders doet op een dag. Hieruit blijkt dat zijn dagelijks leven niet dusdanig verstoord is vanwege zijn medische klachten, dat uw broertje niet meer zelfstandig kan functioneren.” (…) “Daarnaast hebt u niet aannemelijk gemaakt dat uw broertje zich, ondanks de medische situatie, niet zelfstandig staande kan houden.” (…) “Het feit dat hij sinds het overlijden van uw grootvader zichzelf staande weet te houden, ondanks zijn psychische situatie, geeft ook blijk van een grote mate van zelfstandigheid.” (…) “Dat uw broertje zich staande heeft weten te houden sinds het overlijden van uw grootvader doet dit blijken.” (…) “Ondanks de situatie waarin uw broertje zich bevindt in het kamp, lukt het hem om zichzelf staande te houden.” (…) “Hoewel dit lange scheiden door de vlucht is ingegeven, geeft het wel inzicht in het feit dat uw broertje zich staande weet te houden.” (…) “Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uw broertje afhankelijk van u is of dat hij niet zonder u kan functioneren.” (…) “Uw broertje houdt zich namelijk in grote mate zelfstandig samen, ondanks uw vertrek, het overlijden van uw grootvader en de algehele situatie van Yezidi’s in Irak.” (…). 6.
  18. Uit deze passages volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister opnieuw te veel waarde heeft gehecht aan de vraag of eiser zonder referent zelfstandig kan functioneren en/of zich zelfstandig staande kan houden. Dat volgens de minister uit zijn Informatiebericht 2024/57 blijkt dat de minister het zelfstandig functioneren van eiser wel degelijk mag betrekken bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, doet hier niet af. Zoals reeds in de uitspraak van 4 januari 2024 is geoordeeld, valt dit criterium namelijk niet te herleiden tot de rechtspraak van het EHRM en heeft de minister hiermee een te streng en onjuist criterium gehanteerd. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
  19. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er tussen hem en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De minister heeft in zijn beoordeling nagelaten om te betrekken dat de rechtbank in de uitspraak van 4 januari 2024 heeft geoordeeld dat het gegeven dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat hij financieel door referent wordt ondersteund, niet doorslaggevend is om te concluderen dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook heeft de minister ten onrechte niet betrokken dat referent geld voor eiser heeft achtergelaten bij zijn vertrek en referent al op 18-jarige leeftijd wegens het overlijden van hun vader verantwoordelijk was voor hun gezin. Gelet op de situatie in Irak is het onmogelijk aan te tonen dat referent aan eiser geld heeft gegeven. 7.
  20. Ten aanzien van zijn medische situatie voert eiser aan dat de minister ten onrechte niet heeft betrokken dat hij psychische klachten heeft die zijn verergerd sinds het vertrek van referent. Dat de overgelegde medische verklaringen niet door Bureau Documenten kunnen worden onderzocht, betekent niet dat de minister geen nadere onderzoeksplicht heeft met betrekking tot de inhoud van deze verklaringen. Eiser meent dat hij met deze verklaringen een begin van bewijs heeft geleverd. Eiser stelt dat bij de beoordeling van de medische afhankelijkheid niet relevant is wanneer de klachten van eiser precies zijn ontstaan, maar dat zijn medische situatie niet kan worden opgelost zonder de aanwezigheid van referent. De minister had meer gewicht moeten toekennen aan de vaderrol van referent. Het is hierdoor te kort door de bocht om te stellen dat eiser zich wel alleen redt. Verder is de minister ten onrechte op de stoel van de arts gaan zitten door het standpunt in te nemen dat het opmerkelijk is dat in de doktersverklaringen alleen de hereniging met referent als oplossing wordt genoemd. Dit geldt ook voor de conclusie van de minister dat eiser zelfstandig kan functioneren, nu niet is gebleken dat zijn dagelijkse leven door zijn medische klachten wordt verstoord. Tot slot meent eiser dat de overgelegde doktersverklaringen ten onrechte niet zijn betrokken in de beoordeling van de emotionele afhankelijkheid tussen eiser en referent. 7.
  21. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij financieel door referent is ondersteund. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij aan referent ter ondersteuning geld heeft overgemaakt. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat het voor referent onmogelijk is om aan te tonen dat hij eiser financieel ondersteunt en er dus sprake is van bewijsnood. De rechtbank overweegt verder dat – anders dan eiser stelt – uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister een doorslaggevende betekenis geeft aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat referent eiser financieel heeft ondersteund. De minister heeft hierin immers ook andere elementen, zoals de samenwoning van eiser en referent en de mate van medische en emotionele afhankelijkheid betrokken en geconcludeerd dat, deze elementen in samenhang bezien, geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. 7.
  22. De rechtbank is wel met eiser van oordeel dat de minister de medische situatie van eiser op een onjuiste wijze in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 januari 2024 overwogen dat vaststaat dat eiser psychische klachten heeft en dat uit het medische verslag dat eiser heeft overgelegd, blijkt dat deze klachten zijn verergerd sinds het vertrek van referent. Ook heeft de rechtbank overwogen dat voor de beoordeling niet maatgevend is dat eiser medische hulp in Irak krijgt, maar wel dat volgens de behandelaar van eiser diens medische situatie niet kan worden opgelost en juist verergert door de afwezigheid van referent. De minister is ten onrechte aan deze overwegingen voorbijgegaan door zich op het standpunt te stellen dat eiser in Irak toegang heeft tot zorg van derden, hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Irak niet zelfstandig kan functioneren en hereniging met referent de enige oplossing voor zijn medische situatie is. De minister dient te motiveren waarom de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn broer volgens verweerder niet meer dan gebruikelijk is, in het licht van de overgelegde medische informatie dat er sprake is van een toename van psychische klachten sinds het vertrek van referent en spoedige hereniging met referent volgens de behandelend arts noodzakelijk is. Conclusie en gevolgen
  23. De minister heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking meer.
  24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden; en - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Machtiging tot voorlopig verblijf. Algemene wet bestuursrecht. Zaaknummer: NL23.15070 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Islamitische Staat. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire
  25. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087, onder 9.
  26. De behandelend arts rapporteert op 1 oktober 2022: “I put him on
  27. Olanzapine tab 2.5 mg /night
  28. Escitalopram tab 20 mg 1x2 and in addition to many psychotherapy sessions, his psychological condition has worsened, especially after the death of his grandfather [gezinslid 2] on 9/26/2021 and his distance from his family, especially from his brother [gezinslid] , who used to live with him and He takes care of him, which led to many thoughts of suicide, increased anxiety, depression, fear, lack of sleep and weakness. Taking care of him, and because the patient in all sessions talks about his brother and his need for his brother and the many thoughts of suicide because of the distance from him, and he mentions that no one takes care of him I think he should be reunited with his brother as soon as possible before the patient collapses further”.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.