RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38308 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. M. Issa), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. S. Imami). Samenvatting 1.
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf voor zijn moeder, [naam] . Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden en daarmee is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en omstandigheden 2.
- [naam] is geboren op [geboortedag] 1953 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 12 september 2023 heeft zij een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf, met als doel een bezoek te brengen aan eiser (tevens haar zoon en referent) en de rest van haar familie. 2.
- Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 4 oktober 2023 afgewezen. Eiser heeft namens [naam] en als direct belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. 2.
- Met het bestreden besluit van 6 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder is de sociale en economische binding van [naam] met het land van herkomst onvoldoende aangetoond, dan wel zeer gering gebleken. Bij verweerder is er redelijke twijfel over het voornemen van [naam] om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagd visum. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn partner, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Schending hoorplicht 3.
- Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had hem en [naam] in een hoorzitting om nadere informatie moeten vragen, in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. 3.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarfase geen hoorzitting had hoeven te worden gehouden. Volgens verweerder is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser heeft in de bezwaarfase geen stukken overgelegd die de sociale, dan wel economische binding van [naam] met Syrië konden onderbouwen. Een hoorzitting in de bezwaarfase had niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. 3.
- Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. 3.
- De rechtbank is van oordeel dat in het geval van [naam] niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Eiser heeft bij het toesturen van het bezwaarschrift een aantal stukken overgelegd, ter onderbouwing van het standpunt dat [naam] sociale en economische binding heeft met Syrië. Zo heeft eiser een uittreksel waaruit de relatie tussen [naam] en haar echtgenoot blijkt, bankafschriften, een eigendomsbewijs van hun woning in Syrië en een verklaring van [instantie], de instantie waar [naam] vrijwilligerswerk doet, overgelegd. De rechtbank volgt verweerder dus niet in zijn standpunt dat in de bezwaarfase geen stukken zijn overgelegd die de sociale en economische binding van [naam] met Syrië konden onderbouwen. De rechtbank ziet verder dat bij verweerder ook vragen opkwamen bij het bekijken van deze stukken. Uit het bestreden besluit volgt dat er bij verweerder over het overgelegde uittreksel onduidelijkheid bestond over de vraag of de echtgenoot van [naam] daadwerkelijk nog woonachtig was in Syrië. Ook bestond bij verweerder onduidelijkheid over de verklaring van [instantie]. Deze verklaring dateerde uit 2004 en verweerder had er vragen bij of [naam] hetzelfde vrijwilligerswerk nog steeds deed. De rechtbank overweegt dat het juist op de weg van verweerder had gelegen om onderzoek te doen naar deze onduidelijkheden, door middel van het houden van een hoorzitting. Op een hoorzitting had verweerder de gerezen vragen aan eiser en [naam] kunnen stellen en eventueel om aanvullende documenten kunnen vragen. 3.
- Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar in het geval van eiser en [naam] niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren en dat verweerder dus een hoorzitting had moeten houden. Redelijke twijfel over tijdige terugkeer 4.
- In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank het volgende op. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet kan worden uitgesloten dat de echtgenoot van [naam] een leven heeft opgebouwd buiten Syrië, nu alle kinderen van [naam] een leven hebben opgebouwd buiten Syrië. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. De rechtbank ziet in het dossier geen enkele aanwijzing dat de echtgenoot van [naam] buiten Syrië verblijft. 4.
- Verder is de motivering van verweerder over de afwezigheid van sociale binding voor de rechtbank op dit moment niet overtuigend. Verweerder heeft gesteld dat niet is gebleken dat [naam] voor de zorg voor haar echtgenoot onmisbaar is, nu zij een hulpverlener heeft kunnen inschakelen om voor haar echtgenoot te zorgen. Hiermee wordt miskend dat [naam] de zorg voor haar echtgenoot door derden slechts voor de duur van het korte verblijf heeft geregeld. Ook wil [naam] na het korte verblijf weer met haar echtgenoot leven en de zorg voor hem weer terugnemen. Daarnaast geldt dat [naam] al heel lange tijd samen is met haar echtgenoot die leidt aan Alzheimer. Op de zitting heeft eiser nog toegelicht dat zijn ouders nooit Syrië hebben willen verlaten, ook al was er oorlog. Nu wil [naam] graag haar kinderen en kleinkinderen zien en kijken hoe zij leven in Nederland. Syrië is inmiddels als veilig land aangemerkt en [naam] heeft geen reden om hier te blijven. 4.
- De rechtbank vindt ook het vrijwilligerswerk van [naam] een belangrijke aanwijzing dat er sociale binding is met Syrië. [naam] doet het vrijwilligerswerk in het weeshuis al langer dan twintig jaar, voor drie uur per dag. Haar gemachtigde heeft op de zitting toegelicht dat [naam] gehecht is aan de weeskinderen en als een soort moeder is voor hen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [naam] haar vrijwilligerswerk te allen tijde kan beëindigen. Dat is op zich juist, maar verweerder lijkt aan te nemen dat vrijwilligerswerk zonder verplichtingen is en de rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. 4.
- De motivering van verweerder over de afwezigheid van economische binding is voor de rechtbank op dit moment ook niet overtuigend. [naam] bezit huizen en land in Syrië. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat het enkele bezit van een onroerende zaak niet voldoende is om economische binding aan te nemen, omdat beheer ook op afstand kan worden gedaan. De rechtbank begrijpt dit standpunt. Echter, in deze zaak heeft de gemachtigde van eiser en [naam] op de zitting toegelicht dat [naam] voor het innen van haar inkomsten fysiek aanwezig moet zijn in Syrië, omdat ze haar handtekening moet zetten. De rechtbank vindt het, gelet daarop, aannemelijk dat, in ieder geval tot op zekere hoogte, sprake is van economische binding met Syrië. Vragen en onduidelijkheden op dit punt kunnen aan de orde komen tijdens een hoorzitting in bezwaar. Dat geldt ook voor het aanbod van eiser om een garantie af te geven, zoals op de zitting is besproken. Bestuurlijke dwangsom 5.
- Eiser voert aan dat verweerder hem een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd, omdat verweerder het besluit op bezwaar niet op tijd heeft genomen. Omdat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. 5.
- De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat niet op tijd is beslist op het bezwaarschrift en dat de ingebrekestelling terecht is geweest. De rechtbank heeft in 3.4 reeds overwogen dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren. Dat betekent dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing is. Verweerder was daarom wel een dwangsom verschuldigd aan eiser. 5.
- Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu op grond van artikel 8:55c van de Awb en stelt de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke was. Conclusie en gevolgen 6.
- Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. 6.
- Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. 6.
- Omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, heeft eiser recht op een dwangsom. Deze dwangsom is vastgesteld op € 1.442,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 6 september 2024; draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-; stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.