← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20478

RECHTBANK Den Haag Team handel-voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/691517 KG ZA 25-907 Vonnis in kort geding van 16 oktober 2025 in de zaak van [de vrouw] te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. G. Alkilic te Den Haag, tegen: [de man] te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. L. Leenders te Den Haag. Partijen worden hieronder aangeduid als ‘de vrouw’ respectievelijk ‘de man.’ 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 september 2025, met producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3; - de op 2 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  3. Partijen zijn op [dag] 1998 te [plaats 1] , Turkije, met elkaar gehuwd en hebben samen vier kinderen. Twee daarvan zijn nog minderjarig, te weten [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2]
  4. Bij beschikking van 31 oktober 2022 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 20 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.
  5. De verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning) heeft nog niet heeft plaatsgevonden. Partijen zijn allebei voor de helft eigenaar van deze woning. De vrouw heeft de woning verlaten en woont elders, samen met de een na oudste zoon van partijen (23 jaar). De man woont nog steeds in de woning, samen met zoon [minderjarige 1] (17 jaar) en het oudste meerderjarige kind (24 jaar) van partijen. Dochter [minderjarige 2] (13 jaar) woont de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw. 2.
  6. De vrouw heeft bij brief van 1 juli 2025 de man aangeschreven en gesommeerd om aan te tonen dat hij de woning kan overnemen dan wel mee te werken aan de verkoop van de woning. 2.
  7. De man ontvangt een uitkering en is momenteel niet in staat de woning te kopen. 3Het geschil 3.
  8. De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter, voor zoveel mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1) de man veroordeelt om binnen een week na dit vonnis mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde door in algemene zin al datgene te doen of na te laten wat in het kader van de verkoop noodzakelijk is, onder meer door mee te werken aan: -het opruimen van de woning voor het maken van foto's; -mee te werken aan de taxatie van de woning; -mee te werken aan de bezichtigingen van de woning; -het op eerste uitnodiging ondertekenen van de koopovereenkomst en de notariële akte van levering; 2) dat de verkoopopbrengst bij helfte wordt verdeeld; 3) primair de vrouw vervangende toestemming verleent om na verloop van twee weken namens de man, in samenwerking met een door de vrouw te benoemen makelaar over te gaan tot verkoop van de woning, in de ruimste zin van dat woord, inclusief prijsbepaling, onderhandeling en het aangaan van de verkoopovereenkomst, indien de man niet tijdig zijn medewerking heeft verleend aan verkoop van de woning; en dat dit vonnis na verloop van twee weken in de plaats treedt van de wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man bij de notaris ten behoeve van de verkoop van de woning; subsidiair de man veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag(deel) dat hij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen; 3.
  9. Aan haar vorderingen legt de vrouw het volgende ten grondslag. Zij heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. De man woont, bijna drie jaar na de scheiding, nog steeds in de woning en weigert medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde, terwijl hij zelf niet in staat is om de woning over te nemen. De woning heeft een geschatte waarde van minimaal € 250.000,00 en er rustte een hypothecaire lening op van € 105.500,
  10. De precieze hoogte van de huidige hypotheekschuld kent de vrouw niet omdat zij hiervan geen overzichten (meer) ontvangt. De vrouw heeft recht op haar aandeel in de overwaarde van de woning. Zij wil de zaken met de man afronden om verder te kunnen gaan met haar leven. 3.
  11. De man voert verweer. 3.
  12. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van de vrouw gegeven is nu voldoende vast is komen te staan dat de onverdeeldheid (bijna) drie jaar na de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank nog altijd voortduurt en het kennelijk niet is gelukt om uit deze onverdeeldheid te geraken sinds de vrouw bij brief van 1 juli 2025 de man hierover heeft aangeschreven. 4.
  14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beëindiging van het huwelijk van partijen meebrengt dat de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden en moet worden verdeeld. Uitgangspunt daarbij is dat partijen niet gehouden zijn om onnodig lang in een onverdeelde gemeenschap te blijven. 4.
  15. De vordering van de vrouw ziet op de wijze waarop de verdeling gerealiseerd kan worden, namelijk door middel van verkoop van het gemeenschappelijke goed (de woning), waarna verdeling van de opbrengst kan plaatsvinden. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding kan aanleiding bestaan als aannemelijk is dat de bodemrechter, oordelend over de verdeling, zal oordelen dat de woning aan een derde verkocht moet worden. 4.
  16. Nu tussen partijen vaststaat dat de man niet in staat is niet in staat is het aandeel van de man in de woning (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) over te nemen, betekent dit dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de woning moet worden verkocht aan een derde. De vordering van de vrouw tot medewerking van de man aan de verkoop van de echtelijke woning aan een derde is daarom in beginsel toewijsbaar. Een belangenafweging kan echter tot een andere uitkomst leiden. De vraag die hier voorligt is of de belangen die de man aanvoert tegen verkoop en ontruiming van de woning, dermate zwaarwegend zijn, dat zij aan toewijzing van de vorderingen van de vrouw in de weg staan. 4.
  17. De man voert tegen de vorderingen van de vrouw aan dat hij zich realiseert dat de woning verkocht moet worden, maar dat het hem door de krapte op de woningmarkt, niet is gelukt een andere woning te vinden voor hemzelf en de kinderen die bij hem wonen, hoewel hij zich direct na de echtscheiding heeft ingeschreven als woningzoekende en frequent heeft gereageerd op beschikbare sociale huurwoningen. Zijn inkomen is ontoereikend om een huurhuis in de particuliere sector te kunnen huren. Hij is op zich wel bereid om de woning te verkopen en te verlaten maar moet daar de tijd voor krijgen. De man denkt daarbij aan een termijn van (nog) twee jaar. 4.
  18. Daartegenover heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de onverdeeldheid van de woning het enige aspect is dat nog moet worden afgewikkeld in het kader van de echtscheiding en dat de onverdeeldheid van de woning voor haar een obstakel vormt om verder te gaan met haar leven. Voor de kinderen is het weliswaar niet fijn om te moeten verhuizen, maar dat is inherent aan een echtscheiding. Zij heeft de man en de kinderen na de echtscheiding al heel veel tijd in de woning gegund en van haar kan niet verwacht worden dat ze de huidige situatie laat voortbestaan totdat alle kinderen meerderjarig zijn. Zolang de woning niet is verkocht, komt de man als (mede)eigenaar van een woning niet voor toewijzing van een sociale huurwoning in aanmerking. Na verkoop krijgt de man pas een urgentieverklaring als hij geen eigen vermogen (zijn deel van de overwaarde van de woning) heeft. De man is dus vooralsnog aangewezen op een huurwoning in de vrije sector. De huur daarvan kan hij betalen uit zijn deel van de overwaarde van de woning. De vrouw heeft er om al deze redenen belang bij dat de woning op korte termijn wordt verkocht. Zij is wel bereid de man een redelijke termijn te geven om een andere woning te vinden, maar twee jaar is veel te lang, aldus de vrouw. 4.
  19. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Te begrijpen valt dat de man, nu hij een uitkering geniet en niet genoeg inkomen heeft om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen, maar op dit moment evenmin kans maakt op een sociale huurwoning, zich zorgen maakt over waar hij met de kinderen moet gaan wonen als de vorderingen van de vrouw worden toegewezen. Daar staat tegenover dat de vrouw, die al meer dan drie jaar geleden de woning heeft verlaten, wordt beperkt in haar mogelijkheden zolang de woning onverdeeld blijft en dit het enige is wat nog moet worden geregeld in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding. De vrouw heeft daarom een groot belang bij de verkoop van de woning. De woning heeft naar inschatting van de vrouw, die door de man niet is weersproken, een overwaarde van circa € 145.000,-. (€ 250.000 minus hypotheek van circa € 105.0000). Partijen hebben beiden recht op en belang bij het vrijmaken van die overwaarde. Bij verkoop van de woning kan de man zijn deel van de overwaarde aanwenden om tijdelijke woonruimte te vinden voor hem en de kinderen. 4.
  20. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vrouw bij verkoop en verdeling van de woning groot is en dat de zorgen van de man daar niet tegenop wegen. Dit betekent dat de woning dus zal moeten worden verkocht aan een derde, en dat de man hieraan zijn volle medewerking moet verlenen. 4.
  21. Om pas over te gaan tot verkoop op een termijn van twee jaar, zoals de man voorstaat, is in redelijkheid onaanvaardbaar lang. Van de vrouw kan niet worden gevergd dat zij nog langer in de onverdeeldheid blijft. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de man sinds de scheiding al drie jaar in de woning verblijft, hij gezien zijn financiële situatie er rekening mee had moeten houden dat de woning zou moeten worden verkocht en hij voldoende tijd heeft gehad om andere woonruimte te realiseren. De door hem overgelegde reacties op aangeboden sociale huurwoningen zien allemaal op de periode juli-september
  22. Uit de stukken is niet gebleken dat de man zich eerder actief heeft ingespannen om een andere woning te vinden. Zeker omdat de krappe woningmarkt geen nieuw fenomeen is, had het op zijn weg gelegen eerder, en uitgebreider, op zoek te gaan naar alternatieve woonruimte en zich daarbij niet te beperken tot sociale huurwoningen. Als onweersproken staat immers vast dat hij niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning als (mede)eigenaar van een koopwoning. De belangen van de in de woning wonende (minderjarige) kinderen wegen zwaar, maar rechtvaardigen in dit geval niet dat de vrouw nog twee jaar op de verdeling zou moeten wachten. Het verkooptraject van de woning dient dus in gang te worden gezet. Wel ziet de voorzieningenrechter in het belang van de inwonende (minderjarige) kinderen aanleiding om de termijn waarop de woning (na verkoop) geleverd kan worden, te stellen op een langere termijn dan gebruikelijk, zoals nader in de beslissing vermeld. Met name voor de 17-jarige [minderjarige 1] die (voltijds) bij de man woont, geldt immers dat het belangrijk is dat die termijn voldoende ruim is om de man in staat te stellen, ondanks de krappe woningmarkt, in betrekkelijke rust een andere geschikte woning te vinden. 4.
  23. Voor wat betreft de vordering tot verdeling van de verkoopopbrengst van de woning geldt dat beide partijen als deelgenoten recht hebben op een gelijke verdeling van de verkoopopbrengst van de woning. Nu vaststaat dat de man en de vrouw ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning, en niet in geschil is dat de overwaarde tussen hen verdeeld moet worden, is aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de vrouw de helft van de overwaarde (de verkoopopbrengst na aftrek van kosten, hypotheekschuld en eventuele andere schulden) toekomt. De voorzieningenrechter heeft echter geen inzicht in eventuele schulden en/of eventuele verrekenposten en kan in dit kort geding dan ook geen finale verdeling vaststellen. Wel zal de voorzieningenrechter ten behoeve van de verdeling een voorziening treffen, zoals vermeld in de beslissing. 4.
  24. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de man veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning en bepalen dat de overwaarde in depot bij de notaris zal worden gestort, zoals vermeld in de beslissing. Daarin is ook bepaald op welke wijze een makelaar wordt aangewezen die partijen bij de verkoop zal begeleiden. Omdat de man tot nu toe geen stappen heeft gezet richting de verkoop van de woning en de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft, zal als stimulans voor nakoming een dwangsom worden verbonden aan de verplichting van de man de verkoopadviezen van de makelaar te volgen en alle medewerking te verlenen voor een gunstig verkoopproces. Deze zal worden gemaximeerd tot het in de beslissing genoemde bedrag. Ook zal worden bepaald dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man voor wat betreft het aangaan van een bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de ondertekening van de koopovereenkomst na de verkoop tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs of een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en de ondertekening van de leveringsakte. Bij de vordering van de vrouw tot vervangende toestemming voor het benoemen van een makelaar en het overgaan tot verkoop bestaat gelet daarop geen belang meer, zodat deze zal worden afgewezen. Proceskosten 4.
  25. Omdat partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
  26. De beslissing De voorzieningenrechter: 5.
  27. veroordeelt de man om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [plaats 2] aan een derde waartoe hij in ieder geval: a. binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met de makelaar door hem gekozen uit drie door de vrouw binnen een week na dit vonnis voor te dragen, gecertificeerde makelaars, onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden, waarbij geldt dat als de man die keuze niet binnen een week kenbaar maakt, de vrouw de makelaar uit de drie voorgestelde makelaars mag kiezen; b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren; c. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij - een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal zes maanden na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en - de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat; d. dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag; e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde; 5.
  28. bepaalt dat, indien de man niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b. een dwangsom verschuldigd is van € 500,-- per dag tot een maximum van € 20.000,--; 5.
  29. bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a, c en d, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper; 5.
  30. bepaalt dat de overwaarde van de woning aan de [adres] te [plaats 2] (bestaande uit de verkoopopbrengst minus kosten makelaar en notaris, hypotheekschuld, en eventuele overige schulden) door de notaris in depot wordt gehouden totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de uitbetaling, dan wel daarover een beslissing is gegeven in een eventuele bodemprocedure; 5.
  31. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  32. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 5.
  33. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.