RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.51870 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 25 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft op 20 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 4 november
- Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
- Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek tot de opheffing van de maatregel van bewaring. Dat is van 8 oktober 2025 tot en met 20 oktober
- De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift is ingediend op 23 oktober
- Volgens artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank het vooronderzoek uiterlijk 30 oktober 2025 had moeten sluiten. De rechtbank heeft het vooronderzoek echter pas op 4 november 2025 gesloten. Deze termijn is dus overschreden. Aangezien de rechtbank wel overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Vw uitspraak doet op het vervolgberoep binnen één week nadat zij het vooronderzoek had moeten sluiten en de uitspraak wordt gedaan binnen veertien dagen na het instellen van het vervolgberoep, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring vanwege de enkele genoemde termijnoverschrijding onrechtmatig te achten. Daarnaast gaat het in deze zaak alleen om de vraag of eiser recht heeft op een schadevergoeding, nu deze maatregel van bewaring is opgeheven en omgezet. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad.
- Eisers beroepsgrond dat de maatregel van bewaring van 25 september 2025 te laat is omgezet, slaagt. Volgens vaste rechtspraak dient verweerder een maatregel van bewaring binnen 48 uur om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Verweerder heeft bij besluit van 10 oktober 2025 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft niet betwist dat het besluit ook op deze datum aan eiser is uitgereikt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen één week beroep in te stellen. Dit betekent dat eiser vanaf 18 oktober 2025 geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. Verweerder had dan ook uiterlijk 19 oktober 2025 de maatregel van bewaring moeten omzetten. Nu de maatregel van bewaring op 20 oktober 2025 is omgezet, heeft deze één dag te lang onrechtmatig voortgeduurd wegens een onjuiste wettelijke grondslag.
- Overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden om het voortduren van de maatregel tot en met 19 oktober 2025 onrechtmatig te achten.
- Het beroep is gegrond.
- Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel. De schadevergoeding bedraagt 1 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = €
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 100 (honderd euro), te betalen door de griffie en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907 (negenhonderdenzeven euro). Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:18903.