← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20651

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.12108 (beroep) NL25.12109 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 1994, van Turkse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2015, [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2017, allen van Turkse nationaliteit, hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Latul). Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudende dat eisers tijdens de beroepsprocedure niet uit Nederland gezet mogen worden. 1.
  2. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  3. Eisers hebben op 14 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. Ook was de echtgenoot van eisers/vader van eisers aanwezig. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden eisers hun asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
  6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvraag in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Besluitvorming
  7. Eisers hebben op 24 november 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 13 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Kroatië volgens de minister verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 1 november 2024 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Daarom heeft Nederland op 10 januari 2025 de autoriteiten van Kroatië verzocht eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 23 januari 2025 zijn de autoriteiten van Kroatië hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  8. Allereerst stellen eisers dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn volgens eisers namelijk ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en opvang in Kroatië waardoor Kroatië niet aan haar internationale verplichtingen voldoet. Hiervoor verwijzen eisers naar een artikel van the Guardian en een artikel van The Global Detention Project. Verder stellen eisers geen effectief rechtsmiddel te kunnen aanwenden in Kroatië. In tegenstelling tot wat de minister stelt, kunnen eisers niet klagen bij de Kroatische autoriteiten omdat hen hier nooit de mogelijkheid toe is gegeven. Er is hen niets uitgelegd over de procedure en er is geen tolk of juridisch bijstand geregeld voor eisers. Eisers verwijzen hierbij naar het rapport Liberties Rule of Law. 5.
  9. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Kroatië, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eisers na overdracht aan Kroatië in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Kroatië een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest [naam]. 5.
  10. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hier niet in geslaagd. De Afdeling heeft recentelijk geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en is daarbij onder andere ingegaan op de toegang tot opvang en de toegang tot rechtsbijstand. De verwijzing van eisers naar het artikel van the Guardian maakt dit niet anders. In dit artikel worden met name gedragingen van de grenspolitie beschreven. Uit dit stuk blijkt niet dat de beschreven behandelingen ook zien op terugkerende Dublinclaimanten die in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten zoals eisers. Dit geldt eveneens voor het artikel van The Global Detention Project. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat er toegang is tot rechtsbijstand. Het door eisers genoemde artikel van Liberties Rule of Law leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet ziet op terugkerende Dublinclaimanten. Ook uit de eigen ervaringen van eisers kan de rechtbank dat niet afleiden, aangezien zij binnen een dag nadat eiseres was aangehouden door de Kroatische autoriteiten uit Kroatië is vertrokken met haar kinderen. De aangevoerde omstandigheden maken daarom niet dat de asielprocedure in Kroatië een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Kroatië niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Kroatië het overnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eisers in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eisers in Kroatië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van de asielaanvraag ligt het op de weg van eiseres hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De verwijzing naar het rapport Liberties Rule of Law van 18 maart 2024 is daarvoor onvoldoende. Uit dit rapport blijken weliswaar moeilijkheden bij het indienen van “criminal complaints” over mensenrechtenschendingen door de Kroatische autoriteiten, maar daarmee is niet op voorhand aannemelijk dat een klacht van eisers over bijvoorbeeld de opvang of de voortgang van hun procedure geen kans van slagen zal hebben. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 16
  11. Eiseres stelt verder dat zij en haar kinderen afhankelijk zijn van haar man in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening. Volgens eiseres heeft de minister dit ten onrechte niet aangenomen. 6.
  12. De rechtbank overweegt als volgt. Eén van de vereisten van artikel 16 van de Dublinverordening is dat het gaat om afhankelijkheid van de hulp tussen de vreemdeling en een kind, broer, zus of ouder dat of die wettig verblijft in één van de lidstaten. De echtgenoot van eiseres heeft geen wettig verblijf in Nederland en voldoet daarmee niet aan de voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geen toepassing gegeven aan artikel 16 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17
  13. Tot slot menen eisers dat de minister in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor hun asielverzoek aan zich had moet trekken. Eisers wijzen allereerst op de onmenselijke en vernederende behandeling die zij in Kroatië hebben ondergaan. Het gehele gezin is hierdoor psychologisch negatief beïnvloed. Eisers raken nog steeds van slag bij het idee om terug te moeten keren naar Kroatië. Eisers vrezen dat hun mentale toestand, in het bijzonder de mentale toestand van de minderjarige kinderen, bij terugkeer zal verergeren. Deze omstandigheden zijn door de minister miskend. Verder merkt eiseres op dat haar echtgenoot in Nederland verblijft en momenteel in afwachting is van een beslissing op zijn opvolgende asielaanvraag. Eisers hadden hem vijf jaar niet gezien. Zij stellen zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre het in het belang van de kinderen is om een andere lidstaat verantwoordelijk te houden voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarbij wijzen eisers op het belang van de eenheid van het gezin zoals volgt uit de preambule van de Dublinverordening. 7.
  14. De rechtbank overweegt dat als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, die lidstaat een asielaanvraag alsnog onverplicht in behandeling kan nemen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. De rechtbank toetst deze discretionaire bevoegdheid van de minister dus terughoudend. 7.
  15. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat de minister alle door eisers benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken. Uit een recente uitspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of zij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom zij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld eerdere ervaringen van de vreemdeling met de behandeling die zij heeft ondergaan in een lidstaat of een gebrek aan toegang tot zorg in een lidstaat. Eiseres heeft verklaard zij in Kroatië als alleenstaande moeder met vier minderjarige kinderen onmenselijk werd behandeld. De kinderen hebben gehuild van de honger. Hun sokken waren nat, eisers moest hun voeten tegen de verwarming zetten. De Kroatische autoriteiten hebben gezien dat de kinderen van eiseres honger hadden en hebben alleen maar een stuk chocolade gegeven. Verder werden ze gedwongen om hun vingerafdrukken af te geven. Bovendien is er geen tolk of advocaat beschikbaar gesteld aan eisers. Het gehele gezin is hierdoor psychologisch negatief beïnvloed. Deze omstandigheden heeft de minister al betrokken bij de beoordeling of er uitgegaan kon worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Daarom hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank, in overeenstemming met voornoemde uitspraak van de Afdeling, deze omstandigheden niet nogmaals te betrekken bij de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening. 7.
  16. Vaststaat dat niet wordt voldaan aan de mogelijkheden die in de Dublinverordening staan om de eenheid van het gezin te behouden. Artikel 17 van de Dublinverordening verplicht de minister niet om in zo’n geval de aanvraag aan zich te trekken. De minister heeft in dit geval onvoldoende mogen achten dat de echtgenoot van eiseres in Nederland verblijft. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat de echtgenoot vijf jaar niet meer bij het gezin was en na een eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag in 2021, pas na de komst van eiseres in Nederland een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Gelet op deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar echtgenoot. De minister heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheden tot onderwijs voor de kinderen in Nederland beter zijn dan in Kroatië. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle omstandigheden die eisers hebben aangevoerd voldoende zorgvuldig betrokken bij de beoordeling. Eisers hebben verder ook geen andere bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat er bij overdracht aan Kroatië sprake is van onevenredige hardheid. Hoewel begrijpelijk is dat eisers bij hun echtgenoot/vader in Nederland willen verblijven, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  17. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister op goede gronden de asielaanvraag van eisers niet in behandeling heeft genomen.
  18. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
  19. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.12108: - verklaart het beroep ongegrond; in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.12109: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw)
  20. Verordening (EU) nr. 604/
  21. The Guardian: ‘Croatian police accused of burning asylum seekers’ phones and passports’, van 10 oktober
  22. The Global Detention Project, Croatia: Brutality on the Border, Expanding Detention Regime, van 27 november
  23. Rapport van 18 maart 2024, p.
  24. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:
  25. Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, bevestigd op onder meer 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  26. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  27. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.