← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:20697

RECHTBANK DEN HAAG Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag Zaaknummer / rekestnummer: 11717824 / RP VERZ 25-50410 CB/c Beschikking van 25 juli 2025 in de zaak van: de publiekrechtelijke rechtspersoon Hoogheemraadschap van Rijnland, gevestigd en kantoorhoudende te Leiden, verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: Rijnland, gemachtigde: mr. W. van Wijngaarden (Capra advocaten), tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: werknemer, gemachtigde: mr. H. Giard (Van Boom advocaten). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, binnengekomen op 21 mei 2025, met 46 producties (nrs. 1 tot en met 46); - het verweerschrift met een tegenverzoeken, binnengekomen bij de griffie op 8 juli 2025, met dertien producties (nrs. 1 tot en met 13); - de e-mail van de gemachtigde van Rijnland van 14 juli 2025 met een aanvullende productie (nr. 47); - de e-mail van de gemachtigde van werknemer van 10 juli 2025 met een aanvullende productie (nr. 14). 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 11 juli 2025. Daarbij waren namens Rijnland mevr. [naam 1] en de heren [naam 2] en [naam 3] , alsmede de gemachtigde van Rijnland aanwezig. Werknemer was in persoon aanwezig en haar gemachtigde heeft digitaal aan de mondelinge behandeling deelgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Rijnland spreekaantekeningen overgelegd. Van hetgeen verder tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijk aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. Werknemer, geboren [geboortedatum] 1961, is sinds 1 oktober 2017 in dienst bij Rijnland. 2.2. De huidige functie van werknemer is Projectleider S10 met een loon van € 5.376,00 bruto per maand, excl. 17,05% IKB-toeslag. 2.3. Sinds 14 oktober 2024 staat werknemer op non-actief met doorbetaling van salaris. 2.4. In de periode 4 december 2024 tot 26 februari 2025 zijn vijf mediation gesprekken gevoerd. De mediation heeft niet tot resultaat geleid. 3Het verzoek, het tegenverzoek en het verweer over en weer 3.1. Rijnland verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, (-) de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op basis van (○) primair: artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW juncto artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Rijnland in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; (○) subsidiair op basis van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW juncto artikel 7:669 lid 3 onderdeel d BW op grond van disfunctioneren; (○) meer subsidiair op basis van artikel 7:671b, onder a, BW juncto artikel 7:669, lid 3, onderdeel i, op grond van een combinatie van gronden die zodanig is dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; (-) daarbij het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn ex artikel 7:672 lid 2 BW van 2 maanden onder aftrek van de tijd die de procedure heeft gekost; (-) daarbij te bepalen, althans voor recht te verklaren, dat Rijnland geen andere vergoeding dan de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 BW is verschuldigd; (-) werknemer te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2. Werknemer verweert zich tegen het verzoek met het verweer dat naar haar mening geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en ook niet van disfunctioneren, ook niet in combinatie met elkaar. 3.3. Bij wijze van tegenverzoek verzoekt werknemer bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: Primair: (I.) het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en Rijnland te veroordelen om werknemer binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis [geven van de beschikking] toe te laten tot haar werkplek – DIRK Bresreparatie – ten einde haar in staat te stellen om de haar bedongen werkzaamheden volledig te verrichten op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag/dagdeel dat Rijnland in gebreke is om aldus te handelen; (II.) Rijnland te veroordelen tot betaling van de schade, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand van € 11.500,- excl. btw terzake materiële schade en een bedrag van€ 10.000,- terzake van immateriële schade (reputatieschade en schade aan eer en goede naam); Rijnland te veroordelen om de extra kosten gemoeid met het doen van herexamens voor de opleiding Civiele techniek voor haar rekening begroot op € 3000,-, Subsidiair: (IV.) wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, om naast de betaling van de transitievergoeding van € 17.903,14 bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i grond, Rijnland te veroordelen tot betaling aan werknemer van een aanvullende transitievergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 BW van € 26.857,71; (V.) wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden dan wel in het geval dat er geen sprake is van een redelijke grond zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW Rijnland te veroordelen tot betaling aan werknemer van een billijke vergoeding van € 215.000,- dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag op grond van artikel 7:681 lid 1 onder a, alsmede op grond van artikel 7:682 lid 3 sub a en sub b BW; (VI.) wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor werknemer geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die gelegen is tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de einddatum van de dagtekening van de beschikking, dan wel een door de kantonrechter te bepalen datum, Primair en subsidiair: (VII.) Rijnland te veroordelen tot betaling aan werknemer van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen tot aan de dag van algehele voldoening; (VIII.) Rijnland te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen. 3.4. Rijnland voert verweer tegen de tegenverzoeken van werkgever, met name op de elementen wedertewerkstelling, schadevergoeding(

  1. en)en billijke vergoeding. 3.5. Voor zover relevant zullen de stellingen en verweren van partijen in het inleidende verzoek en in de tegenverzoeken hierna worden besproken. 4De beoordeling van het verzoek en de tegenverzoeken 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, disfunctioneren van werknemer dan wel een combinatie van deze twee ontslaggronden. 4.2. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 4.3. In deze procedure is naar voren gekomen dat Rijnland ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer nastreeft, omdat volgens hem werknemer niet kan samenwerken in teams, met andere medewerkers van Rijnland en ook niet met haar (opeenvolgende) leidinggevenden. Tevens is naar voren gekomen dat de kritiek van Rijnland op het functioneren van werknemer zich niet richt op de wijze waarop werknemer inhoudelijk haar werkzaamheden verricht. 4.4. Dit betekent dus dat beoordeeld moet worden in hoeverre de stelling van Rijnland dat het gebrek aan samenwerkingsvermogen van werknemer eraan in de weg staat dat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt. 4.5. Ontegenzeggelijk is dat samenwerking met andere medewerkers, samenwerking in teams en samenwerking met leidinggevenden een onlosmakelijk onderdeel vormt van de meeste arbeidsovereenkomsten, zeker arbeidsovereenkomsten, als die van werknemer, waarbij het uitgangspunt is dat een werknemer samen met anderen in een team een bepaald resultaat nastreeft. 4.6. Dat de samenwerking van werknemer met haar leidinggevenden en haar collega’s niet goed verloopt blijkt wel uit de vele verklaringen, die Rijnland in deze procedure heeft overgelegd. Uit hetgeen verder in deze procedure naar voren is gekomen blijkt voorts dat Rijnland het nodige heeft gedaan om de samenwerking van werknemer te verbeteren. Zo heeft Rijnland werknemer ingezet in verschillende teams en onder verschillende leidinggevenden, heeft hij werknemer ondersteuning aangeboden en ook is een mediationtraject doorlopen. Overigens is ook gebleken dat werknemer zelf erg gedreven is om haar functie inhoudelijk goed te vervullen hetgeen blijkt uit het feit dat zij op eigen initiatief nog een studie civiele techniek is gaan volgen. 4.7. Rijnland geeft in haar verzoek twee ontslaggronden, te weten verstoorde arbeidsverhouding als primaire grond en disfunctioneren als subsidiaire grond. 4.8. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende uit de verf gekomen dat er een verstoorde arbeidsverhouding tussen Rijnland en werknemer bestaat in de zin dat er sprake is van een conflictsituatie, die maakt dat op grond daarvan een samenwerking tussen Rijnland, zijn leidinggevenden en medewerkers enerzijds en werknemer anderzijds niet langer mogelijk is en de arbeidsovereenkomst daarom ontbonden zou moeten worden. Daarom kan de arbeidsovereenkomst niet op die grond ontbonden worden. 4.9. De kritiek van Rijnland op werknemer richt zich vooral op het gebrek aan samenwerkingsvermogen aan de zijde van werknemer. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.5. is overwogen is samenwerking met collega’s en/of samenwerking in teams veelal een onlosmakelijk element van de functievervulling van een werknemer. Het gaat er niet alleen om dat een werknemer inhoudelijk goed is in zijn of haar werk; het gaat er ook om dat een werknemer in staat moet zijn om goed met anderen samen te werken. Daarmee is het vermogen om met anderen samen te werken onderdeel van de functievervulling en kan dus een gebrek aan het vermogen om samen te werken een reden zijn dat een werknemer zijn of haar functie niet naar behoren vervult. 4.10. Uit de door Rijnland overgelegde verslagen sinds 2018 blijkt dat het samenwerkingsvermogen van werknemer reeds sinds die tijd onderwerp van gesprek was tussen werknemer en haar leidinggevende(n). In het verslag van een voortgangsgesprek van 29 maart 2018 staat: De inzet van [naam werknemer] in project KRW is vanaf 15 april beëindigd. De samenwerking met de omgevingsmanager en de projectmanager verliep niet goed meer, beiden hebben dit bij de teamleider onderbouwd. Zie verder bij de competentie samenwerking. [Naam werknemer] werkte wel hard en leverde productie, het zat hem vooral in de samenwerking. In menig gespreksverslag van na 2018 wordt het gebrek aan samenwerkingsvermogen van werknemer telkens benoemd. 4.11. Uit hetgeen verder in deze procedure naar voren is gekomen blijkt dat Rijnland zich heeft ingespannen om werknemer werkzaamheden te laten verrichten in verschillende teams en onder verschillende leidinggevenden. Telkens werd echter het gebrek aan samenwerkingsvermogen als een knelpunt in het functioneren van werknemer benoemd. Ook heeft Rijnland zich ingespannen om werknemer ondersteuning en coaching aan te bieden, zo blijkt uit de stukken. 4.12. Uiteraard mag een werknemer een andere beleving hebben van zijn of haar functioneren, maar uiteindelijk zal het oordeel over hoe een werknemer zijn of haar functie vervult zijn voorbehouden aan de werkgever. Mits voldoende onderbouwd, zal daarom uiteindelijk het oordeel van de werkgever over het functioneren van een werknemer doorslaggevend zijn. 4.13. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Rijnland voldoende onderbouwd (
  2. a)dat het gebrek aan samenwerkingsvermogen van werknemer een reeds lang benoemd gebrek in het functioneren van werknemer is en is gebleven en (
  3. b)dat Rijnland het nodige heeft gedaan om het functioneren van werknemer op het punt van samenwerking te verbeteren. Ondanks dat is weinig tot geen verbetering zichtbaar geworden. Alles bijeen genomen komt de kantonrechter tot het oordeel dat sprake is van disfunctioneren als voldragen ontslaggrond. 4.14. Op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 BW dient naast dat sprake moet zijn van een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ook beoordeeld te worden in hoeverre herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Deze bepaling vergt een eigen beoordeling en moet los worden gezien van de beoordeling of sprake is van de redelijke ontslaggrond. 4.15. Rijnland heeft naar voren gebracht dat er geen passende functies zijn waarop werknemer geplaatst zou kunnen worden en dat werknemer daar overigens ook niet open voor staat. 4.16. Dat laatste heeft werknemer gemotiveerd en onderbouwd weersproken. Bij e-mail van haar gemachtigde van 2 juni 2025 heeft zij een concreet voorstel gedaan aan Rijnland. Dat voorstel luidde als volgt: Om het bovenstaande handen en voeten te geven is zij bereid om (deels) thuis en (deels) op kantoor te werken, desnoods (tijdelijk) op een andere afdeling (niet op de 8ste verdieping). Voorwaarde is dat zij niet uitgesloten wordt van: (werk)contact met collega’s, het bijwonen van kenniskringen, het hebben/houden van diverse koffiepraatjes en andere werkgerelateerde bijeenkomsten, en het volgen van interne/externe (al dan niet verplichte) trainingen. Het contact met collega’s is wezenlijk bij het uitvoeren van de functie. (….) Cliënte is verder bereid, om onder leiding van een ervaren externe deskundige/coach gedurende een vooraf overeen te komen periode te werken aan de ervaren samenwerkingsproblematiek van/met enkele collega’s op het gebied van mensgerichte aanpak. 4.17. Bij e-mail van de gemachtigde van Rijnland van 30 juni 2025 was de reactie van Rijnland op het voorstel deze: De genoemde uitgangspunten voor een minnelijke regeling bieden voor cliënte onvoldoende perspectief om tot overeenstemming te komen. Voor cliënte is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen afzienbare tijd een essentieel onderdeel van een eventuele deal. Nu mevrouw [naam werknemer] inzet op baanbehoud, ligt het niet voor de hand dat partijen tot een akkoord komen. 4.18. Uit de reactie van Rijnland op het voorstel van werknemer blijkt dat Rijnland op enig moment de knop heeft omgezet en alleen nog inzet op beëindiging van het dienstverband met werknemer. Zoveel ook bleek uit de reactie van Rijnland na de schorsing van de mondelinge behandeling. 4.19. Met lid 1 van artikel 7:669 BW heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat er niet alleen een voldragen ontslaggrond moet zijn, maar dat tevens het een en ander van een werkgever gevraagd wordt om een werknemer zijn baan te laten behouden. Daarbij is de verplichting tot het vinden van een andere passende functie niet beperkt tot het wijzen van een werknemer op mogelijke vacatures, maar rust op de werkgever ook de verplichting om actief te bezien of baanbehoud tot de mogelijkheden behoort. Dat werknemer bij haar voorstel van 2 juni 2025 inzet op baanbehoud kan haar daarom ook niet worden tegengeworpen. 4.20. Met haar voorstel van 2 juni 2025 heeft werknemer een concreet voorstel gedaan waarbij (
  4. a)haar expertise, die Rijnland nooit betwist heeft dat die in voldoende mate aanwezig is bij werknemer, voor de organisatie behouden zou blijven en waarbij (
  5. b)werknemer een duidelijke handreiking naar Rijnland doet om een werkbare oplossing te vinden voor de samenwerkingsproblematiek, waarvan werknemer in haar voorstel laat blijken dat die wel degelijk bestaat. 4.21. De kantonrechter is van oordeel dat Rijnland het voorstel van werknemer, of een na verdere onderhandeling overeengekomen aangepaste versie daarvan, een kans had moeten geven. Dat had desnoods ook gekund door de huidige ontbindingsprocedure voor enige tijd aan te houden. Daardoor had werknemer uitzicht gehouden op baanbehoud, met de nodige inspanningsverplichtingen en concessies aan haar kant. In de belangenafweging tussen de belangen van Rijnland om de arbeidsovereenkomst in dit stadium te beëindigen en van werknemer om haar baan vooralsnog te behouden laat de kantonrechter het belang van werknemer net iets zwaarder wegen. 4.22. Uit het voorgaande vloeit aldus voort dat de kantonrechter van oordeel is dat Rijnland zich onvoldoende heeft ingespannen om werknemer in aangepaste vorm, min of meer volgens de lijnen van haar voorstel, op een passende wijze voor de organisatie in te zetten. In de context geplaatst van deze procedure is de kantonrechter van oordeel dat herplaatsing van werknemer in een aangepaste vorm wel degelijk in de rede ligt. 4.23. De slotsom van het voorgaande is dat de kantonrechter het verzoek van Rijnland om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zal afwijzen. 4.24. Daardoor dient de kantonrechter vervolgens te beslissen over hetgeen werknemer primair bij wijze van tegenverzoek verzoekt. 4.25. Dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen vooralsnog niet ontbonden zal worden betekent dat de arbeidsovereenkomst voor nu in stand blijft. Dat betekent op zijn beurt dat werknemer recht heeft op werk. Nu werknemer ook wel inziet dat terugkeer, na een zo lange periode van op non-actiefstelling en gelet op haar eigen voorstel om terugkeer bij Rijnland vorm te geven, niet meteen tot terugkeer bij Rijnland kan leiden, zal de kantonrechter Rijnland veroordelen om werknemer vanaf 1 september 2025 toe te laten tot een werkplek, die in grote lijnen conform het voorstel is van werknemer van 2 juni 2025 of die zodanig vorm zal krijgen als partijen in onderling overleg uiterlijk 1 september 2025 zullen overeenkomen. Gelet op de opstelling van Rijnland om uitsluitend in te zetten op beëindiging van het dienstverband met werknemer, zal de kantonrechter aan deze verplichting een dwangsom verbinden van € 500,- per dag of deel daarvan, dat Rijnland met deze verplichting tot wedertewerkstelling in gebreke blijft. Mede gelet op die opstelling van Rijnland zal de kantonrechter de verplichting tot wedertewerkstelling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Werknemer heeft er recht op dat zij een reëel vooruitzicht heeft om weer aan het werk te kunnen. 4.26. De overige primaire tegenverzoeken zal de kantonrechter afwijzen, met name omdat daar de juridische grondslag voor ontbreekt dan wel dat werknemer daarvoor geen juridische grondslagen heeft aangedragen. 4.27. Aan bespreking van de subsidiaire tegenverzoeken komt de kantonrechter niet toe. 4.28. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft. 5De beslissing In het inleidende verzoek 5.1. wijst het verzoek van Rijnland af, In de tegenverzoeken 5.2. veroordeelt Rijnland om werknemer vanaf 1 september 2025 toe te laten tot een werkplek, die in grote lijnen conform het voorstel is van werknemer van 2 juni 2025 of die zodanig vorm zal krijgen als partijen in onderling overleg uiterlijk 1 september 2025 zullen overeenkomen, zulks op straffe van een dwangsom van€ 500,- per dag of deel daarvan dat Rijnland met deze verplichting tot wedertewerkstelling in gebreke blijft; 5.3. verklaart hetgeen is beslist in rechtsoverweging 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst hetgeen werknemer meer of anders heeft verzocht af, In het inleidende verzoek en de tegenverzoeken 5.5. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier. Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 1 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.