RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.31044 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , [V-Nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude), en de Minister van Asiel en Migratie, hierna de minister (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het opheffen van het aan haar opgelegde inreisverbod. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres om opheffing van het inreisverbod terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Eiseres heeft een aanvraag ingediend bij de minister tot opheffing van het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 heeft de minister het verzoek van eiseres om opheffing van het inreisverbod geweigerd. 2.
- Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook de drie zoons en dochter van eiseres waren aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond van de zaak
- Eiseres is in 2018 naar Nederland gereisd op basis van een visum voor kort verblijf. Eiseres is toen in Nederland gebleven om voor haar echtgenoot te zorgen die ziek was en zij heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenoot. Deze aanvraag is afgewezen omdat eiseres niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 11 juni 2019 het beroep van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Dit is in hoger beroep bevestigd op 20 februari
- 3.
- De echtgenoot van eiseres is overleden in
- Vervolgens heeft eiseres in 2021 een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar in Nederland wonende kinderen op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2021 afgewezen omdat eiseres geen geldige mvv heeft. Met dit besluit is aan eiseres ook een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Op 26 april 2024 heeft eiseres verzocht om opheffing van het inreisverbod omdat eiseres in België een verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Besluitvorming 3.
- Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om opheffing van het inreisverbod afgewezen. Daarbij heeft de minister zich onder andere op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat eiseres aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod voldoet, zoals bedoeld in artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. Eiseres heeft niet aangetoond wanneer zij Nederland en de Europese Unie (EU) heeft verlaten en dat zij tenminste één jaar buiten Nederland en de EU heeft verbleven. Ook is niet gebleken dat eiseres in het bezit is gesteld van een verblijfsdocument voor België. Verder zijn er geen bijzondere feiten of omstandigheden waardoor het inreisverbod opgeheven moet worden volgens de minister. Opheffing van het inreisverbod
- Eiseres voert aan dat het aan haar opgelegde inreisverbod moet worden opgeheven omdat zij een verblijfsrecht voor één jaar verstrekt heeft gekregen van de Belgische autoriteiten. Op zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat voor zover het verblijfsrecht alleen een procedureel verblijfsrecht is, dit ook moet leiden tot een opheffing van het inreisverbod. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres om opheffing van het inreisverbod terecht heeft afgewezen. Eiseres heeft een inreisverbod van twee jaar en deze vervalt niet van rechtswege. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod voldoet zoals bedoeld in artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat zij in het bezit is gesteld van een verblijfsdocument in België. Indien België ondanks het inreisverbod besluit om een verblijfsdocument te verlenen, zal België de Nederlandse autoriteiten via een consultatieverzoek vragen om het inreisverbod op te heffen. Dit is niet gebeurd. Een procedureel verblijfsrecht is daarvoor onvoldoende. Verder is in het geval van eiseres niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden waardoor het inreisverbod opgeheven moet worden. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Machtiging tot voorlopig verblijf. Uitspraak van deze rechtbank van 19 juni 2019, zaaknummers AMS 19/1407 en 18.
- Uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2020, zaaknummer 201 904940/1/V
- Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Vreemdelingenbesluit
- Zie hiervoor A4/2.5.
- van de Vreemdelingencirculaire 2000.