RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41302 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. A. Heida), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 31 mei 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Eiser heeft in het verleden asielaanvragen gedaan die niet tot een verblijfsrecht hebben geleid.
- Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor deze aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 15 augustus 2023 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 20 juni 2025 geaccepteerd.
- Eiser stelt in beroep, kort weergegeven, dat het voornemen en het bestreden besluit op onjuiste wijze bekend zijn gemaakt. Verder was voor verweerder bekend dat eiser geen gemachtigde heeft. Op verweerder rust de plicht om te verzoeken om koppeling van een advocaat. Eiser stelt dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij heeft een sterkere band met Nederland omdat hij hier al sinds 2003 verblijft. Bovendien vreest hij in Duitsland geen juiste rechtsbijstand te krijgen. Hij verwijst daarbij naar pagina 60 van het AIDA-rapport, waaruit volgt dat asielzoekers hun eigen rechtsbijstand dienen te betalen. Wanneer een beroep wordt ingesteld bij een rechtbank kan de asielzoeker verzoeken om gratis rechtsbijstand, maar dit verzoek wordt onderworpen aan een ‘merits-test’. Eiser is daarom van oordeel dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Duitsland.
- In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat de bekendmaking van het voornemen en het bestreden besluit niet correct is verlopen. Het voornemen is, nadat het retour is gekomen, ter inzage gelegd in het AZC in [plaats 1]. Echter is gebleken dat voor eiser op dat moment twee actieve adressen stonden geregistreerd, namelijk van het AZC in [plaats 1] en het AZC in [plaats 2]. Uit gegevens van het COa volgt dat eiser per 3 juli 2025 in [plaats 2] verbleef. Het voornemen en vervolgens bestreden besluit zijn daarom niet op juiste wijze bekendgemaakt. Verweerder verzoekt de rechtbank echter om dit vormverzuim te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank oordeelt als volgt.
- De rechtbank ziet in dit geval geen ruimte om de zorgvuldigheidsgebreken bij zowel de bekendmaking van het voornemen als van het bestreden besluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe is redengevend dat de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen een essentieel onderdeel vormt van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het bestreden besluit. Nu het voornemen niet aan eiser bekend is gemaakt, heeft hij geen zienswijze kunnen indienen. Indien de vreemdeling ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze op het voornemen in te dienen, moet dan ook worden aangenomen dat eiser hierdoor is benadeeld. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
- De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De reden daarvoor is dat eiser in beroep, voorzien van bijstand door zijn gemachtigde, alsnog de gelegenheid heeft gekregen aan te voeren wat hij anders in de zienswijze had willen aanvoeren. Daarom bestaat reden om aan te nemen dat als eiser wel een zienswijze had ingediend, hij niet meer naar voren zou hebben gebracht dan hij in beroep heeft gedaan. Gelet op wat hierna wordt overwogen over de overige beroepsgronden van eiser, ziet de rechtbank dan ook reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
- Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat contact is opgenomen met de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad heeft meegedeeld dat de vreemdeling zelf verantwoordelijk is voor het regelen van rechtsbijstand bij een herhaalde asielaanvraag. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. Daarom kan niet worden gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet om koppeling van een gemachtigde te verzoeken. De rechtbank begrijpt dat verweerder vanwege de korte termijnen zich doorgaans in Dublinprocedures wel inspant om rechtsbijstand voor de vreemdeling tot stand te brengen. Dat dit in dit geval niet is gebeurd, maakt het oordeel echter niet anders. Hier staat namelijk tegenover dat eiser in het verleden in meerdere asielprocedures in Nederland is bijgestaan door een gemachtigde en blijkens het aanmeldgehoor in deze Dublinprocedure aanvankelijk ook van plan was om onder begeleiding van zijn vorige gemachtigde de opvolgende asielaanvraag te doen, maar daar kennelijk van heeft afgezien. De rechtbank acht eiser in staat om bij verweerder op rechtsbijstand aan te dringen, indien hij dat zelf wenste.
- Verder is het uitgangspunt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat dit in zijn geval niet kan en dat in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen.
- Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Uit het AIDA-rapport (laatst geüpdatet op 10 juli 2024) volgt dat asielzoekers zich tijdens een asielprocedure in Duitsland kunnen laten bijstaan door een gemachtigde, maar dat zij dit zelf dienen te betalen en dat – als beroep wordt ingesteld bij een rechtbank – om gratis rechtsbijstand kan worden verzocht, maar dit verzoek wel wordt onderworpen aan een ‘merits-test’. Dit is niet in strijd met de Procedurerichtlijn. Lidstaten zijn ingevolge artikel 19 van de Procedurerichtlijn weliswaar verplicht de vreemdeling gedurende de gehele procedure van juridische informatie te voorzien, maar kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging (wat dus verder gaat dan enkel informatievoorziening) is ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn alleen verplicht in de beroepsprocedure. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn mogen lidstaten bovendien bepalen dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Aangezien in Duitsland het verzoek om kosteloze rechtsbijstand door een rechterlijke instantie wordt getoetst, mag ervan worden uitgegaan dat die instantie het verzoek conform de Procedurerichtlijn behandelt.
- Voor zover eiser voor het overige stelt dat Duitsland zich niet aan de Procedurerichtlijn en andere richtlijnen inzake het Europees asielstelsel houdt, wijst de rechtbank erop dat eiser daarover kan klagen bij de autoriteiten in Duitsland. Niet is gebleken dat klagen voor eiser bij voorbaat geen zin heeft of niet mogelijk is. Het enkele gegeven dat eiser niet over financiële middelen zou beschikken en daardoor geen advocaat zou kunnen betalen, is onvoldoende. Niet is gebleken immers dat eiser in dat geval niet met ondersteuning van bijvoorbeeld in Duitsland actieve NGO’s, die asielzoekers blijkens de AIDA-rapportages ondersteunen en uitleg geven over procedures en waarmee Duitsland aldus invulling geeft aan de verplichtingen onder artikel 19 van de Procedurerichtlijn, een klacht bij de daartoe aangewezen Duitse autoriteiten zou kunnen indienen.
- In het kader van eisers betoog dat de gestelde systeemfout aanleiding had moeten geven voor verweerder om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid, geldt dat de aangedragen omstandigheden enkel zien op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling of er aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals uit hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 9, blijkt dat hiervan niet is gebleken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 volgt dat deze omstandigheden derhalve niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling van eiser dat hij een sterke band met Nederland heeft wegens zijn langdurige verblijf is ook geen bijzondere, individuele omstandigheid. Gelet hierop en nu eiser geen andere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
- De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit betekent dat de beslissing op eisers asielaanvraag in stand blijft.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.
- Deze uitspraak is gedaan op 6 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) nr. 604/
- Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Algemene wet bestuursrecht. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT
- Richtlijn 2013/32/EU. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2014:3164.