Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-091063-25 Datum uitspraak: 16 oktober 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] (hierna: de verdachte), Geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] , BRP adres: [adres 1] [postcode] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 3 juli 2025 (pro forma) en 2 oktober 2025 (inhoudelijke behandeling). De officier van justitie in deze zaak is mr. J. Roosma en de raadsvrouw van de verdachte is mr. W. van der Voet te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vijf de feiten bewezenverklaard kunnen worden, met uitzondering van het onder 4 ten laste gelegde te duchten levensgevaar. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van de feiten 1 tot en met 4 bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan. De raadsvrouw heeft zich wat betreft feit 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Feiten 1, 2 en 3 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. 3.4 Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt aan de hand van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast. Op 22, 24 en 25 oktober 2024 vindt een drietal incidenten plaats in Den Haag. Op 22 oktober vindt een ontploffing plaats bij een advocatenkantoor aan de [adres 2] , op 24 oktober wordt een steen door een ruit gegooid op de [adres 3] en op 25 oktober vindt een ontploffing plaats aan de [adres 4] . De politie vermoedt dat [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) betrokkenheid heeft bij alle drie die incidenten, omdat hij op 21 oktober 2024 via de advocaat van zijn ex-partner (welke advocaat kantoorhoudt op het voornoemde adres van het advocatenkantoor)) heeft gehoord dat hij zijn kinderen niet mag zien. Op de adressen aan de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] wonen de moeder en de vader van zijn ex-partner. Op de telefoon van de medeverdachte worden filmpjes aangetroffen van de ontploffing aan de [straatnaam 3] en het incident aan de [straatnaam 1] . Die filmpjes zijn verstuurd via Snapchat, in een gesprek tussen twee accounts met de namen [accountnaam 1] (dat wordt toegeschreven aan de medeverdachte) en [accountnaam 2] (waarover de verdachte zelf verklaart dat het zijn account was). De video van de ontploffing op de [straatnaam 3] is gemaakt om 21:54 uur en minder dan een minuut daarna verzonden vanaf het account van de verdachte via Snapchat naar het account van de medeverdachte. De video van het incident op de [straatnaam 1] is bericht nummer 862 in het Snapchatgesprek tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Dit betekent dat zij daarvoor al 861 berichten hebben gewisseld. De telefoon van de verdachte is ook onderzocht. Uit de locatiegegevens van die telefoon blijkt dat die zich op 24 oktober 2024 om 23:27 uur, ten tijde van het incident aan de [straatnaam 1] , bevond op de [straatnaam 1] ter hoogte van perceel
(6)dat de verdachte inzicht geeft in zijn gebruik van sociale media als daarom gevraagd wordt. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Het jeugdstrafrecht heeft een pedagogisch karakter. Dat betekent dat het voornaamste doel is om te zorgen dat de jeugdige die een strafbaar feit pleegt, geholpen wordt om zich op zo’n manier te ontwikkelen dat hij niet nog meer strafbare feiten pleegt. Dit is – naast dat het in het belang is van de jeugdige – ook in het belang van de maatschappij waarin de jonge verdachte uiteindelijk altijd weer terecht zal komen. Vanwege de ernst van de feiten die de verdachte heeft gepleegd, vindt de rechtbank dat daar in ieder geval een onvoorwaardelijke jeugddetentie tegenover moet staan gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het is van groot belang dat de verdachte de positieve weg die hij inmiddels is ingeslagen, door stage te lopen en te werken, kan vervolgen. De rechtbank vindt het in dit geval passend om daarnaast een forse voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De verdachte heeft zijn tijd in de jeugdgevangenis als zwaar ervaren en de rechtbank gaat er van uit dat dit hem ervan zal weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal hiernaast ook een forse werkstraf opleggen, zodat de verdachte ook nu nog de gevolgen ervaart van zijn handelen. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke jeugddetentie bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de Raad zijn geadviseerd, met daarbij de opmerking dat bij het locatieverbod het nieuwe adres van het advocatenkantoor dat voorheen gevestigd was aan de [straatnaam 3] zal worden opgenomen. Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk het teweeg brengen van ontploffingen/brandstichting. Gelet op de ernst van de feiten en het rapport van de Raad, waaruit naar voren komt dat de verdachte geen openheid geeft over zijn rol bij het bewezenverklaarde, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit betekent dat de verdachte zich direct aan de voorwaarden moet houden, ook als er iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank ziet geen reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de verdachte geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd zal krijgen dan hij al heeft uitgezeten. 7De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel [aangever] , bijgestaan door mr. M.G.P. Glas, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 48.171,17 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 38.171,17 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten: een beveiligingscamera (€ 183,47), gederfde inkomsten; ongeveer 2 weken geen inkomsten (€ 10.117,70) en nader gederfde inkomsten tot heden (€ 27.875,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen. [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. M.G.P. Glas, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 43.828,94 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 33.828,94 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten: een deurbel (€ 14,04), raamfolie (€ 25,65), gederfde inkomsten; ruim 2 weken geen inkomsten (€ 5.914,25) en nader gederfde inkomsten tot heden (€ 27.875,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen. [benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 3.375,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 875,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [aangever] en [benadeelde 1] in aanmerking komen voor gehele, hoofdelijke toewijzing. De officier van justitie stelt vast dat de vordering van [benadeelde 2] niet op elk punt is onderbouwd en concludeert tot gedeeltelijke, hoofdelijke toewijzing van die vordering. De officier van justitie vordert dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen met betrekking tot alle drie de vorderingen. 7.2 Het standpunt van de verdediging [aangever] en [benadeelde 1] De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat [aangever] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat die pas de dag voor de zitting zijn ingediend en pas op de ochtend van de zitting aan de raadsvrouw zijn verstrekt. Dit is in strijd met het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de posten van de vorderingen van [aangever] en [benadeelde 1] die zien op gederfde inkomsten onvoldoende onderbouwd zijn. Het is duidelijk dat het gepleegde feit impact heeft gehad op het vermogen van de beide raadslieden om te werken, maar het is onduidelijk hoe de genoemde bedragen tot stand zijn gekomen. Zo wordt er met een uurtarief gerekend, terwijl de raadslieden in de sociale advocatuur en voornamelijk op basis van toevoegingen werken. Wat betreft de immateriële schade is de verdediging van mening dat de schadevergoeding bij personen die niet in het pand aanwezig waren ten tijde van een ontploffing (zoals mevrouw [benadeelde 1] ), doorgaans rond de € 2.500,- liggen. Bij personen die wel in het pand aanwezig zijn gaat het om een bedrag dat rond de € 5.000.- ligt. De verdediging vraagt daarom om de immateriële schadevergoeding te matigen. [benadeelde 2] De verdediging stelt zich ook op het standpunt dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de verdediging vrijspraak bepleit. Subsidiair vraagt de raadsvrouw om de immateriële schadevergoeding te matigen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Ontvankelijkheid vorderingen [aangever] en [benadeelde 1] De rechtbank kan vorderingen niet-ontvankelijk verklaren als zij een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Het is daarbij (onder andere) van belang of alle partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest om standpunten in te nemen over de vorderingen en of de verdediging zich voldoende heeft kunnen voorbereiden om verweer te kunnen voeren. De rechtbank moet terughoudend omgaan met deze mogelijkheid om vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. De wetgever heeft namelijk de bedoeling gehad om voor slachtoffers van strafbare feiten een eenvoudige en laagdrempelige procedure te creëren om hun schade te laten vergoeden. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van [aangever] en [benadeelde 1] geen onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De vorderingen zijn dan wel relatief laat ingediend, maar ze zijn ook beknopt en komen voor een belangrijk deel met elkaar overeen. De vorderingen zijn redelijk eenvoudig opgebouwd, ook al worden er hoge bedragen aan schadevergoeding gevorderd. De verdediging heeft ter zitting tijd gehad om vragen te stellen over de vorderingen en heeft ook inhoudelijke standpunten ingenomen over de vorderingen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, alleen omdat die vorderingen relatief laat zijn ingediend. [aangever] en [benadeelde 1] – Materiële schade De vordering van [aangever] , voor zover die ziet op de post ‘beveiligingscamera’ is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Dit geldt ook voor de vordering van [benadeelde 1] , voor zover die ziet op de post ‘raamfolie’. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het aanschaffen van de beveiligingscamera of raamfolie in een rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten voor beveiliging in verband met toekomstige gebeurtenissen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. Het is begrijpelijk dat de benadeelde partijen een camera en raamfolie wilden kopen om zich veilig te voelen en voor eventueel in de toekomst te plegen feiten, maar dit kan de rechtbank niet aanmerken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De vordering van [benadeelde 1] , voor zover die ziet op de post ‘deurbel’, is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier kan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van €14,04. De vorderingen van [aangever] en [benadeelde 1] , voor zover die zien op de posten ‘gederfde inkomsten ruim/ongeveer 2 weken’ en ‘nader gederfde inkomsten tot heden’ zijn door de raadsvrouw betwist en door de benadeelde partijen onvoldoende nader onderbouwd. Het is de rechtbank duidelijk dat de benadeelde partijen als gevolg van het feit minder hebben kunnen werken, maar de gevorderde bedragen zijn grotendeels op schatting gebaseerd. De benadeelde partij heeft onvoldoende naar voren gebracht dat er daadwerkelijk tweeënhalve week niet is gewerkt en dat er daarna (gemiddeld) een half uur per dag minder is gewerkt. Met name is niet vast komen te staan dat het uurtarief waarmee wordt gerekend, overeenkomt met wat de benadeelde partij daadwerkelijk per uur zou hebben verdiend, gelet op het feit dat de benadeelde partij als zelfstandige en grotendeels op basis van toevoegingen werkt. Het is niet duidelijk welke werkzaamheden de benadeelde partij minder heeft verricht en welke inkomsten daarmee zijn misgelopen. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen als het gaat om deze posten. [aangever] en [benadeelde 1] – Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De aanslag heeft plaatsgevonden bij het kantoor van de benadeelde partijen terwijl één van hen, [aangever] , daar nog aan het werk was. Hij werd geconfronteerd met een aanslag waarvan later bleek dat deze niet voor hem bedoeld was. De aanslag bleek gericht op [benadeelde 1] , een vakgenoot en vriendin van [aangever] , vanwege een cliënt die zij bijstond. Deze aanslag was voor zowel [aangever] als [benadeelde 1] zeer bedreigend, helemaal gelet op hun publieke taak als advocaten. De rechtbank stelt dan ook vast dat zij beiden op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het toekennen van immateriële schadevergoeding onderscheid te maken tussen de twee advocaten, omdat één van hen niet op het kantoor aanwezig was op het moment dat de explosie plaatsvond. De aanslag was, zoals eerder al genoemd, gericht tegen op [benadeelde 1] en was dus minstens even intimiderend voor haar, ook al was zij op het bewuste moment niet aanwezig. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank aan immateriële schade een bedrag van € 5.000,- toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. Omdat de verdachte het feit waarvoor schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(
- s)heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte ten opzichte van de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 5.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] en een bedrag van € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. [benadeelde 2] De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken. 8De inbeslaggenomen voorwerpen 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp (de muts) zal worden teruggegeven aan de verdachte, dat het onder 2 genummerde voorwerp (de telefoon) verbeurd zal worden verklaard en dat het onder 3 genummerde voorwerp (de revolver) zal worden onttrokken aan het verkeer. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat ook de telefoon teruggegeven moet worden aan de verdachte, omdat er geen direct verband is tussen de telefoon en de strafbare feiten. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Inbeslaggenomen voorwerpen. Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp (de muts). De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp (de telefoon), verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan. De telefoon is immers gebruikt om filmpjes van de gepleegde feiten aan de medeverdachte te sturen. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp (de revolver) onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. 10De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen: 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht; 26 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 12De beslissing De rechtbank: vrijspraak verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.7 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: feit 1: medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is; feit 2: medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen; feit 3: medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is; feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straffen veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 300 DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (102 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, 198 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west te Den Haag op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht; 2. op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: - [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1961;- [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1994;- [naam 4] , geboren op [geboortedatum 4] 194;- [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum 5] 1973;- [naam 5] , geboren op [geboortedatum 6] 1951;- [naam 6] , geboren op [geboortedatum 7] 1996;- [aangever] , geboren op [geboortedatum 8] 1971;- [naam 7] , geboren op [geboortedatum 9] 1968; zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; 3. zich niet bevindt binnen straal van 50 meter van de [adres 7] , de [adres 3] en de [adres 4] , alle in Den Haag, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; 4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach, en zich houdt aan de afspraken die daarbij worden gemaakt; 5. zich beschikbaar houdt voor delictbespreking met de jeugdreclassering; 6. inzicht geeft in zijn gebruik van sociale media op momenten dat de jeugdreclasseerder of de coach daar naar vraagt. geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn; veroordeelt de verdachte daarnaast tot: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 150 UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 DAGEN; de vorderingen van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangever] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 5.000,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; [benadeelde 1] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 5.014,04 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 5.014,04 , bestaande uit € 14,04 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.014,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; [benadeelde 2] bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding; de inbeslaggenomen goederen gelast de teruggave aan de veroordeelde van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Muts (Omschrijving: DH2R024090_855046, Zwart); verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DH2R024090_850097, Zwart, merk: Apple); verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Revolver (Omschrijving: Bbm Olympic); het bevel tot voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mrs. L.T Verlinde en M. Wouters, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2025. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht aan/tegen een pand, gevestigd aan de [adres 2] , door een brandbare stof en/of een stuk (professioneel) vuurwerk/vuurwerkbom/brandbom aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of voorgenoemd pand geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, en daarvan - gemeen gevaar voor het voornoemde pand en/of meerdere althans één pand(
- en)in de omgeving, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(
- s)en/of aldaar aanwezige(
- n)van/in het voornoemde pand en/of (een) pand(
- en)in de omgeving, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; 2 hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te ’s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, gelegen aan de [adres 3] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door een baksteen door de ruit van die woning te gooien; 3 hij op of omstreeks 25 oktober 2024 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, aan/tegen een pand, gevestigd aan de [adres 4] , door een brandbare stof en/of een stuk (professioneel) vuurwerk/vuurwerkbom/brandbom aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of voorgenoemd pand geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, en daarvan - gemeen gevaar voor het voornoemde pand en/of meerdere althans één pand(
- en)in de omgeving, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(
- s)en/of aldaar aanwezige(
- n)van/in het voornoemde pand en/of (een) pand(
- en)in de omgeving, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; 4 hij op of omstreeks 21 januari 2025 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, aan/tegen een pand, gevestigd aan de [adres 6] , door een brandbare stof en/of een stuk (professioneel) vuurwerk/vuurwerkbom/brandbom aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of voorgenoemd pand geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, en daarvan - gemeen gevaar voor het voornoemde pand en/of meerdere althans één pand(
- en)in de omgeving, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(
- s)en/of aldaar aanwezige(
- n)van/in het voornoemde pand en/of (een) pand(
- en)in de omgeving, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; 5 hij op of omstreeks 25 maart 2025 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk Bruni, type BBM Olympic 38, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;