Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/3766 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: R.A.M. van der Velden), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2024 een aanslag rioolheffing opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 mei 2025 de aanslag verminderd. Aan eiseres is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres heeft tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september
- Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Feiten
- Aan eiseres is voor het jaar 2024 een aanslag rioolheffing opgelegd naar een bedrag van € 222,34 wegens het eigendom van het object aan de [adres] .
- Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd tot een bedrag van € 55,56, omdat verweerder bij nader inzien het verkeerde tarief had toegepast. Aan eiseres is geen proceskostenvergoeding toegekend. Geschil
- In geschil is slechts nog of aan eiseres ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend. Tevens is in geschil of eiseres ten onrechte niet is gehoord ten aanzien van de proceskostenvergoeding.
- Verweerder heeft aangevoerd dat de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige rechtsbijstand verleent. Hij treedt enkel op als gemachtigde ten aanzien van familieleden. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat gemachtigde meerdere cliënten had en heeft hij niet laten zien hoe hoog zijn omzet was. Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraak van het Hof Den Haag van 22 oktober
- Gemachtigde heeft namens eiser daarentegen aangevoerd dat hij een professioneel kantoor heeft, en vier personen in loondienst heeft die fiscale werkzaamheden verrichten. Daarnaast heeft eiser een overeenkomst met het kantoor van gemachtigde tegen een vast tarief. Voorts heeft hij aangevoerd er sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat gemachtigde niet alleen voor familieleden, maar ook voor andere cliënten werkzaam is. Beoordeling van het geschil
- Indien eiseres in aanmerking wenst te komen voor een vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij aannemelijk maakt dat de aan haar verleende rechtsbijstand beroepsmatig is verleend en dat de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op haar drukken, hebben gedrukt of zullen drukken.
- Dat gemachtigde familie is van eiseres, hoeft er in beginsel niet aan in de weg te staan dat de rechtsbijstand kan worden aangemerkt als door een derde verleend. De familierelatie hoeft namelijk niet aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg te staan.
- Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is volgens vaste rechtspraak sprake als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Waar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot iemands beroepsmatige taak. Personen zonder enige juridische scholing kunnen niet geacht worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen (Nota van Toelichting bij het Besluit, Stb. 1993, 763, p. 6 onderaan).
- Gemachtigde heeft aangevoerd dat hij een professioneel kantoor heeft, vier mensen in dienst heeft en adviseur is van diverse supermarkten, drogisten en slijterijen. Daarnaast heeft hij een stuk overgelegd waaruit volgt dat er per kwartaal een vast tarief in rekening wordt gebracht. De rechtbank is van oordeel dat gemachtigde hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het verlenen van rechtsbijstand die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank overweegt, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder dat gemachtigde alleen familieleden vertegenwoordigt, dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn stelling -dat er ook sprake is van het verlenen van rechtsbijstand aan anderen dan familieleden- nader te onderbouwen. De rechtbank volgt eiser niet dat de gemachtigde vanwege privacy geen verdere informatie over andere cliënten kan verstrekken. Dit geldt temeer, omdat gemachtigde in de overgelegde stukken en ter zitting drie cliënten bij naam heeft genoemd. Ook ziet de rechtbank niet in waarom het niet mogelijk zou zijn om aan de hand van andere informatie dan persoonsgegevens een concreter beeld te geven van de (omvang van de) gestelde, duurzame beroepsuitoefening door de gemachtigde.
- De stelling van eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord door verweerder, volgt de rechtbank niet, aangezien op grond van artikel 7:3, onderdeel e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder mocht afzien van horen aangezien hij volledig aan het bezwaar van eiseres is tegemoetgekomen. Dat verweerder eiseres niet hoefde te horen in het kader van het niet toekennen van een proceskostenvergoeding volgt tevens uit het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019, waarin zij in r.o. 2.4 het volgende overweegt: “Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.”
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november
- griffier rechtervoorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). ECLI:NL:GHDHA:2024:2028 ECLI:NL:GHDHA:2024:2028 ECLI:NL:HR:2019:1619