← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21208

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48323 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. M. Pater), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. 1.
  3. Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.
  4. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
  6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
  7. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 23 augustus 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 27 augustus 2025, op grond van artikel 18, eerste lid onder b van de Dublinverordening aanvaard. Standaard voornemen
  8. Eiser stelt dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen en verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 3 juni
  9. In die uitspraak is geoordeeld dat de voornemenprocedure als doel heeft de vreemdeling de gelegenheid te geven zijn zienswijze te geven over de voorgenomen afwijzing. Daarnaast dient het voornemen toegespitst te zijn op de individuele vreemdeling, zodat deze in staat is inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing.
  10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de totstandkoming van het besluit niet onzorgvuldig is. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister in het voornemen voldoende duidelijk heeft uiteengezet op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. De minister heeft ook voldoende gemotiveerd waarom hij geen reden ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn dus alle dragende overwegingen opgenomen. Anders dan eiser veronderstelt volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter dat een standaardvoornemen in zo’n situatie wel aan de vereisten voldoet. De door eiser aangedragen bezwaren in de zienswijze tegen de overdracht zijn kenbaar meegenomen in de motivering van het bestreden besluit. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
  11. Volgens eiser kan ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser heeft hierbij in de zienswijze verwezen naar diverse bronnen, waaronder het AIDA-rapport over Duitsland en een artikel van de NOS. Gelet op deze informatie had de minister ambtshalve nader onderzoek moeten doen naar de actuele situatie in Duitsland. Eiser verwijst daarbij nogmaals naar het arrest X. Dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen, doet niks af aan de in eerdergenoemde bronnen omschreven problematiek. 7.
  12. Eiser voert daarnaast aan dat hij geen gebruik kan maken van het recht te klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft daar namelijk geen recht op kosteloze rechtsbijstand, spreekt geen Duits en heeft geen financiële middelen om een advocaat in te schakelen. Zonder hulp zal hij terecht komen in een situatie van materiele deprivatie en loopt na overdracht het risico om te belanden in omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
  13. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt dat de Afdeling heeft geoordeeld dat er op grond van het arrest X geen sprake is van een nieuw toetsingskader in Dublinzaken. Van een verzwaarde onderzoeksplicht is geen sprake en het uitgangspunt blijft dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Hij heeft zijn stellingen namelijk niet voldoende onderbouwd of geconcretiseerd. De enkele verwijzing naar het AIDA rapport en een artikel van de NOS is in dat kader onvoldoende. De minister heeft daarnaast in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de Duitse asielprocedure, waaronder de rechtsbijstand, voldoet aan de Procedurerichtlijn. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat het enkele gegeven dat de rechtsbijstand in Duitsland anders is geregeld dan in Nederland, op zichzelf niet maakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Voor zover eiser voor het overige stelt dat Duitsland zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, is het aan eiser zich daarover te beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser bij voorbaat geen zin heeft of niet mogelijk is. De enkele stellingen dat eiser over onvoldoende financiële middelen beschikt en de taal niet spreekt, leiden niet tot een ander oordeel. Garanties
  14. Duitsland kan volgens eiser mogelijk niet aan zijn internationale verplichtingen voldoen vanwege de enorme opvangproblemen. Eiser merkt op dat hij een jonge, alleenstaande man is en dat garanties gegeven moeten worden dat Duitsland zijn asielaanvraag in behandeling neemt en hij daadwerkelijk opvang zal krijgen.
  15. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat eiser jong en alleenstaand is, onvoldoende is voor het oordeel dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden gezien. Hij heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen adequate opvang of zorg kan krijgen in Duitsland. Zoals gezegd kan ten aanzien van Duitsland uit worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan eiser bij de Duitse autoriteiten te klagen wanneer hij problemen ervaart met de opvang in Duitsland. Conclusie en gevolgen
  16. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  17. ECLI:NL:RBDHA:2024:
  18. Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  19. ECLI:NL:RVS:2025:1642 Arrest van 29 februari 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, C-392/22, ECLI:EU:C:2024:
  20. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024: 3455) en 23 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.