RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52274 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.A.J. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Bekendmaking terugkeerbesluit Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 21 september 2022 niet op de juiste wijze aan hem is uitgereikt. Eiser was toen met onbekende bestemming vertrokken en had geen gemachtigde. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt hoe de beschikking bekend is gemaakt. Hij is niet gepubliceerd in de Staatscourant. Er ligt dus een terugkeerbesluit ten grondslag aan de bewaringmaatregel die niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Als bij verweerder geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, wordt op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging opgehangen. Verweerder stelt een rapport van bevindingen op waarin wordt vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de beschikking bekend te maken. Dit staat in paragraaf C1/2.13.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser stelt terecht dat in het dossier geen rapport van bevindingen zit waaruit blijkt dat welke handelingen zijn verricht om de beschikking van 21 september 2022 bekend te maken. Dit heeft verweerder ook op de zitting erkend. 3. Eiser heeft echter, zoals verweerder terecht stelt, opnieuw asiel aangevraagd. Deze aanvraag is bij beschikking van 9 februari 2024 buiten behandeling gesteld. In de beschikking van 9 februari 2024 staat ook: ‘U verblijft niet langer rechtmatig in Nederland. U hebt op 21 september 2022 al een terugkeerbesluit gekregen. Daarin staat dat u Nederland onmiddellijk moet verlaten.’ Van de bekendmaking van de beschikking van 9 februari 2024 zit wel een rapport van bevindingen in het dossier, waaruit blijkt dat de beschikking ter inzage is gelegd op de COA [locatie] . Dit betekent dat eiser in elk geval vanaf dit moment op de hoogte kon zijn van het terugkeerbesluit van 21 september 2022 en van zijn terugkeerverplichting. De huidige maatregel van bewaring kon daarom op het terugkeerbesluit van 21 september 2022 worden gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet. Gronden van de bewaring 4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Zicht op uitzetting 6. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18945, r.o. 5). Uit de uitspraak blijkt dat de Algerijnse consul heeft aangegeven dat ongedocumenteerde vreemdelingen niet langer zullen worden gepresenteerd. Aanvragen tot de afgifte van een laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.