uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14515 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
- Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Standaard voornemen
- Eiser meent dat de minister ten onrechte heeft volstaan met standaard tekstlokken in het voornemen en niet is ingegaan op de in het gehoor genoemde omstandigheden. Eiser acht dit onzorgvuldig en wijst daartoe op de wetsgeschiedenis. Volgens de wetgever moet de voornemenprocedure waarborgen dat de rechter in beroep een voldoende gegevens omvattend dossier moet krijgen op basis waarvan hij kan oordelen of de genomen beslissing in stand kan blijven of niet. Feiten die voorheen in de bezwaarfase naar boven konden komen, kunnen op deze manier ook al in de eerste aanleg fase aan de orde komen. Anders gezegd, het schriftelijke voornemen dient als geheel voldoende toegespitst te zijn op de individuele vreemdeling, zodat de vreemdeling in staat is inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing. Daarbij wijst eiser er op dat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 20232, meer in het bijzonder naar overweging 2.1, in zijn geval niet opgaat. De minister overweegt in het bestreden besluit enkel dat uit deze uitspraak blijkt dat de Afdeling van mening is dat een standaardvoornemen wel aan de eisen kan voldoen en dat daarom de stellingen van eiser niet worden gevolgd. De minister motiveert echter niet waarom hij meent dat het standaardvoornemen in onderhavige zaak ook daadwerkelijk voldoet en schendt daarmee zijn motiveringsplicht.
- De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling, van 11 april 2025, volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen.3 Dat een voornemen standaard overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen en daarin expliciet zijn vermeld, kan op zichzelf dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De vreemdeling heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen, indien de specifieke verklaringen van de vreemdeling niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen. Verder overweegt de Afdeling in voornoemde uitspraak dat de achterliggende gedachte van de invoering van de voornemenprocedure in Dublinzaken is beschreven in de toelichting van het besluit inhoudende de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 van 10 juli 2015, Stb 2000,
- De wetgever benadrukt in die toelichting dat artikel 3.109c een zelfstandige Dublinprocedure bevat. Voor Dublinclaimanten geldt dat zij gelijk met of kort na het rapport van het gehoor een voornemen ontvangen tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Over het algemeen wordt over deze procedure opgemerkt dat er steeds naar wordt gestreefd om zo snel mogelijk helderheid te verkrijgen over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. De wetsgeschiedenis bij artikel 3.109c van het Vb 2000 geeft geen aanknopingspunten om het zonder meer onzorgvuldig te achten als de minister in het voornemen niet op alle door een vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden ingaat.
- In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. Daarbij komt dat in het voornemen is verwezen naar de verklaringen van eiser en erop is gewezen dat die verklaringen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen en niet leiden tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In het bestreden besluit is vervolgens ingegaan op alle door eiser tijdens het gehoor en in de 2 ECLI:NL:RVS:2023:
- 3 ECLI:NL:RVS:2025:
- zienswijze gestelde individuele omstandigheden. In beroep kon eiser daarom zijn standpunten hierover naar behoren en effectief naar voren brengen. Eiser heeft in beroep ook niet concreet gemaakt welke omstandigheden in zijn geval in het voornemen concreet geadresseerd hadden moeten worden.
- Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre dan ook niet gebleken van een onzorgvuldige besluitvorming Deze beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
- Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Uit objectieve en betrouwbare bronnen blijkt dat er in Duitsland sprake is van geweld en discriminatie jegens asielzoekers. Eiser verwijst hiervoor naar rapport van Amnesty International over Duitsland van 24 april 2024 en een rapport van Human Rights Watch van 16 januari
- Hieruit blijkt dat het aantal “hate crimes” en discriminatie jegens moslims en asielzoekers is toegenomen. Eiser heeft tevens verklaard over zijn vrees ten aanzien van “hate crimes” en discriminatie, en de invloed daarvan op het asielbeleid.
- De rechtbank stelt voorop dat de minister – voor Dublinclaimanten - ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 februari 2025 nog bevestigd. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
- De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. Eiser heeft geen concrete informatie overlegd waaruit blijkt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen, in het Duitse asiel- en opvangsysteem, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De enkele stelling dat er in Duitsland zeer veel incidenten zijn geweest en de verwijzing naar de rapporten is daartoe onvoldoende. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd waarom de informatie uit de genoemde rapporten op hem van toepassing is. Verder is Duitsland partij bij het EVRM en mag worden verwacht dat de Duitse autoriteiten de mensenrechten, die daarin zijn opgenomen, borgen en beschermen. Als eiser in Duitsland wordt geconfronteerd met tekortkomingen of problemen, ligt het op zijn weg om hierover bij de Duitse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen voor hem geen zin heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
- Eiser stelt dat de minister de asielaanvraag onverplicht aan zich dient te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, nu sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die daartoe nopen. Overdracht aan Duitsland zou van onevenredige hardheid getuigen.
- De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister trekt een asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alleen onverplicht aan zich indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Hiervan is in dit geval geen sprake. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat eisers vrees voor ‘hate crimes’ niet leidt tot de conclusie dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Voor het overige heeft eiser ook niet concreet gemaakt op basis van welke omstandigheden de minister de aanvraag aan zich had moeten trekken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 07 mei 2025 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.