← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21380

Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-029030-25 Datum uitspraak: 14 augustus 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ( [land] ), inschrijvingsadres in de basisregistratie personen: [adres] , [postcode] [woonplaats] , nu preventief gedetineerd in [jeugdinrichting] in [plaats 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 31 juli

  1. De officier van justitie in deze zaak is mr. H.J. Starrenburg en de raadsman van de verdachte is mr. A. Fakiri te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 27 januari 2025 te ’s-Gravenhage een of meer onbekend gebleven slachtoffers heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door -een vuurwapen op hen te richten, en/of -een vuurwapen aan hen te tonen; 2 hij op of omstreeks 27 januari 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk Bruni S.R.L, type Olympic 38, kaliber 0.22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool heeft gedragen; 3 hij op of omstreeks 27 januari 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk Bruni SRL, type Olympic 38, kaliber 0.22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad; 4 hij op 2 september 2024 en 9 december 2024 te Den Haag openlijk, te weten op 2 september aan de [straatnaam 1] en op 9 december aan de [straatnaam 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever 1] door die [aangever 1] meermalen - te duwen en/of te trekken en/of te slaan zodat die [aangever 1] op de grond terecht kwam en - meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en - meermalen tegen het hoofd althans het lichaam te slaan en te schoppen terwijl het door hem gepleegde geweld enig (zwaar) lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken jukbeen (met zenuwbeschadiging) voor [aangever 1] ten gevolge heeft gehad; 5 hij op of omstreeks 26 maart 2025 te ’s-Gravenhage [aangever 2] en/of [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door -die [aangever 2] en/of [aangeefster] een mes te tonen, -die [aangever 2] en/of [aangeefster] de woorden toe te voegen: -“Kom naar buiten. Kom naar de [straatnaam 3] , kanker hond, jij gaat zien. Wat denk je wel niet wie je bent. Kom maar zien. Fuck jullie allemaal. Wacht maar”, en/of -"kom dan nu, ik ga jou doodmaken met deze mes. Kom dan, pussy. Ik ga jou doodmaken, ik ga jou doodmaken", en/of, -"ik ga je doodmaken, jij gaat zien. Wacht maar als ik jou pak", en/of -“ik ga je dood maken", en/of - dat hij hem ging neersteken en zijn hoofd naar zijn moeder zou sturen, en/of - " helemaal de moeder ging steken", en/of -"jawel let maar op en beter ga je aan de kant anders steek ik jou lek.", althans woorden van gelijke strekking. 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de openlijke geweldpleging gepleegd op 9 december
  2. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging gepleegd op 2 september 2024 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit, namelijk voor zover de tenlastelegging ziet op de bedreiging van [aangeefster] , en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Vrijspraak feit 1 De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op of omstreeks 27 januari 2025 een of meer onbekend gebleven slachtoffers heeft bedreigd. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat op 27 januari 2025 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en een aantal andere personen. Op enig moment heeft de verdachte iets uit zijn tas gehaald en dit aan zijn vriend [naam 1] gegeven. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een pistool aan zijn vriend heeft gegeven. Kort daarna heeft de verdachte het pistool van dezelfde vriend teruggepakt en uit de stills van de camerabeelden valt af te leiden dat hij daarna een snelle beweging met zijn beide armen heeft gemaakt in de richting van de op dat moment bij hem vandaan lopende personen waarmee zij ruzie hadden. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het -op zichzelf bedreigende- gebaar dat de verdachte heeft gemaakt ook daadwerkelijk door de personen met wie hij ruzie had is gezien. Daarmee kan dus ook niet worden vastgesteld of bij deze personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Aldus is niet komen vast te staan dat die personen op de hoogte zijn geraakt van de bedreigende handeling. Dat betekent dat voor de tenlastegelegde bedreiging geen toereikend wettig bewijs voorhanden is. De rechtbank zal de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. 3.4 Partiële vrijspraak feit 5 De rechtbank acht de bedreiging gericht tegen [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. De verdachte ontkent de ten laste gelegde dreigende woorden tegen [aangeefster] te hebben geuit. In het dossier bevindt zich een aangifte van [aangeefster] waarin zij verklaart dat de verdachte heeft geroepen dat hij haar zou gaan neersteken als zij niet aan de kant zou gaan of woorden van gelijke strekking. Enig steunbewijs voor de aangifte van bedreiging van [aangeefster] ontbreekt, nu niemand anders dan de aangeefster heeft verklaard deze woorden van de verdachte te hebben waargenomen. Dat betekent dat voor dit deel van de tenlastelegging onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en de rechtbank de verdachte daarom van de onder 5 ten laste gelegde bedreiging van [aangeefster] zal vrijspreken. 3.5 Gebruikte bewijsmiddelen feit 2, 3 en 5 De rechtbank zal voor de feiten 2, 3 en het resterend deel van feit 5 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Feiten 2 en 3 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025028797, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 75). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 juli 2025; Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 januari 2025 (p. 22-23);
  3. Het proces-verbaal van de Dienst regionale Recherche, afdeling Specialistische Ondersteuning, team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven met nummer 2025028797-7, opgemaakt op 27 januari 2025 (p. 72-75). Feit 5 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025097499 van de politie eenheid Den Haag, (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
  4. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 juli 2025;
  5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 26 maart 2025 (p. 5-8);
  6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 26 maart 2025 (p. 9-11). 3.6 Gebruikte bewijsmiddelen feit 4 De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. 3.7 Bewijsoverwegingen feit 4 De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 2 september 2024 en op 9 december 2024 tegen aangever [aangever 1] samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd. 2 september 2024 De verdachte heeft bekend dat hij de aangever op 2 september 2024 heeft geschopt en geslagen, en dat hij samen was met 2 of 3 andere jongens die ook hebben meegedaan aan het geweld tegen de aangever. Op basis van de aangifte en de eigen verklaring van de verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] , gepleegd op 2 september
  7. 9 december 2024 De verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] op 9 december
  8. De vraag die beantwoord moet worden is of op grond van de voorhanden bewijsmiddelen kan worden vastgesteld of de verdachte ook betrokken is geweest bij de openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] op 9 december
  9. Herkenning verdachte [aangever 1] heeft op 10 december 2024 aangifte gedaan van mishandeling gepleegd door meerdere personen op 9 december
  10. Uit de aangifte leidt de rechtbank af dat aanvankelijk twee verdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op aangever af kwamen lopen en hem hebben geslagen. Vervolgens hebben medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zich hierbij gevoegd en hebben ook zij de aangever geslagen. De aangever hoorde op dat moment dat een medeverdachte aan het bellen was en zei: ‘Kom kom, hij is hier’. De aangever herkende de stem van de verdachte aan de andere kant van de telefoon. Vervolgens kwamen er nog 4 à 5 personen aanlopen. Een van die personen droeg volgens de aangever een bivakmuts. De aangever zegt deze persoon te hebben herkend als de verdachte, aan zijn ogen en aan zijn manier van lopen. De rechtbank vindt in het dossier steun voor de verklaring van de aangever dat hij de verdachte heeft herkend. Anders dan door de verdediging betoogd had de aangever de verdachte vóór 9 december 2024 meer dan eenmaal gezien. De aangever is - zoals hiervoor bewezen geacht - op 2 september 2024 door de verdachte geslagen en geschopt bij een tramhalte. Uit de aangifte die daartoe is gedaan blijkt dat de aangever en de verdachte elkaar vóór 2 september 2024 ook al kenden en elkaar daags voor 2 september hadden gesproken. De aangever wist dus uit hoofde van meer dan één eerdere ontmoeting wie de verdachte was en hoe hij eruit zag. Daar komt bij dat de aangever een medeverdachte heeft horen roepen “ [bijnaam] ”. De verdachte woont in de [straatnaam 3] in Den Haag, een straat die in deze wijk ligt. Medeverdachte [medeverdachte 1] in dit verband verklaard, terwijl hij een filmpje van de geweldshandelingen dat op zijn telefoon stond toelichtte, dat de aangever “ [verdachte] , [verdachte] ” riep, waarna de jongen met het skimasker naar de aangever toe liep. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat de jongen met het skimasker hem zelf heeft verteld dat de aangever een keer een mes tegen hem had getrokken. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de aangever de verdachte op dat moment, ondanks de bivakmuts, herkend heeft en acht deze herkenning van de verdachte betrouwbaar. Beelden van de geweldshandelingen De aangever heeft verklaard dat een van de verdachten een bivakmuts droeg. De aangever heeft ook verklaard dat na de eerste geweldshandelingen een groep van 4 á 5 personen kwam aanlopen die ook op hem begonnen in te slaan. De verklaring van de aangever sluit aan bij de bevindingen van de verbalisant die de beelden heeft uitgekeken van de openlijke geweldpleging zoals aangetroffen op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit de beschrijving van deze beelden volgt dat er vijf verdachten worden gezien, dat één daarvan zwarte gezichtsbedekking droeg en dat de aangever door deze verdachte en door meerdere van de beschreven personen is geschopt en geslagen. Telefoongegevens Uit het dossier leidt de rechtbank verder af dat de openlijke geweldpleging op 9 december 2024 plaatsvond vanaf ongeveer 17:00 uur aan de [straatnaam 2] in Den Haag. Op basis van historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte rond en na dat tijdstip herhaalde keren is gebeld door twee verschillende telefoonnummers, waarvan één wordt toegeschreven aan een medeverdachte die bij de geweldshandelingen aanwezig was. De aangever heeft zelf verklaard dat een medeverdachte heeft gebeld met een persoon waarvan hij aan de andere kant van de telefoon de stem van de verdachte herkende. Rond 17:18 uur verplaatste de telefoon van de verdachte naar de zendmast gelegen op de [straatnaam 2] in Den Haag. De telefoon van de verdachte bleef op deze zendmast aanstralen van 17.18 uur tot 17:47 uur, met binnen dat tijdsbestek éénmaal een aanstraling van de zendmast op de [straatnaam 4] , waarvan de plaats delict eveneens binnen dat bereik valt. De rechtbank passeert het verweer van de verdachte, dat hij ten tijde van de openlijke geweldpleging aan het werk was als bezorger en het daardoor mogelijk is dat zijn telefoon aanstraalde op de zendmast in de buurt van het plaats delict. Die verklaring verdraagt zich niet met de herkenning door aangever, en de hierboven besproken bewijsmiddelen die steun bieden aan die herkenning. De verdachte heeft die verklaring ook niet aannemelijk kunnen, noch willen maken. Tijdens het verhoor bij de politie heeft de verdachte aangegeven dat hij beschikt over bewijs dat hij ten tijde van de openlijke geweldpleging aan het werk was. Op de vraag van de politie hoe de verdachte kan aantonen dat hij toen aan het werk was, heeft hij geantwoord dat hij camerabeelden wilde zien dat hij bij de openlijke geweldpleging aanwezig was en dan met bewijzen kon komen. Op de vraag waar hij dan werkte en van hoe laat tot hoe laat, heeft verdachte gezwegen. De verdachte heeft het dus gelaten bij een niet nader onderbouwde ontkenning dat hij aanwezig was bij de openlijke geweldpleging en het voor de politie onmogelijk gemaakt om deze verklaring te verifiëren. De rechtbank vindt deze verklaring van de verdachte, in het licht van de hierboven besproken bewijsmiddelen, niet aannemelijk en zal daaraan voorbijgaan. De hiervoor besproken omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte aanwezig was ten tijde van de openlijke geweldpleging. De bijdrage van de verdachte De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Uit de verklaring van de aangever, de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte, de beschrijving van de beelden op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat de verdachte aanwezig was bij de openlijke geweldpleging. Uit de verklaring van de aangever, voormelde beschrijving van de beelden en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat de verdachte degene was met de zwarte gezichtsbedekking – ook aangeduid als een bivakmuts of skimasker. Uit laatstgenoemde bewijsmiddelen volgt ook dat de persoon met de zwarte gezichtsbedekking, herkend als de verdachte, samen met andere personen de aangever meerdere keren heeft geslagen en geschopt. De rechtbank concludeert op grond van deze bewijsmiddelen dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld. De rechtbank leidt ten slotte uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte telefonisch door een medeverdachte naar de plaats van het geweld is geroepen en daar vervolgens heeft meegedaan aan het geweld tegen de aangever; dit getuigt van een bewuste en nauwe samenwerking. Enig (zwaar) lichamelijk letsel Uit de aangifte leidt de rechtbank af dat de medeverdachten die als eerste geweld hebben gebruikt de aangever meerdere malen hard in het gezicht hebben geslagen. De aangever verklaarde meteen veel pijn te hebben en voelde aan zijn gezicht dat hij onder het bloed zat. Hij ziet dat op de hand van één van de medeverdachten bloed zit en dat deze er gebroken uitziet. Op dat moment neemt verdachte nog geen deel aan het geweld. Pas later komt de verdachte met andere medeverdachten aanlopen en beginnen ook zij op de aangever in te slaan en te schoppen. Uit het dossier wordt afgeleid dat de medeverdachten die de aangever als eerste, voordat de verdachte deelnam aan het geweld, meerdere malen hard in het gezicht hebben geslagen, de breuken in het gezicht van de aangever al kunnen hebben toegebracht. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat vervolgens verschillende verdachten de aangever gelijktijdig hebben geschopt en geslagen. De rechtbank kan aldus niet vaststellen dat het letsel aan het gezicht van de aangever, bestaande uit een gebroken neus en jukbeen (met zenuwbeschadiging) uitsluitend het gevolg is van de gedragingen van de verdachte. De in art. 141, tweede lid onder 1°, Sr opgenomen zwaardere strafbedreiging is alleen van toepassing op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht (vgl. Hoge Raad, 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2489). Op grond van het dossier kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het letsel van de aangever is veroorzaakt door de concrete gedragingen van deze verdachte. De rechtbank zal de verdachte daarom voor dit deel van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreken. Conclusie De rechtbank komt tot de conclusie dat de deelname van de verdachte aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] op 9 december 2024 aan de [straatnaam 2] in Den Haag wettig en overtuigend bewezen is. 3.8 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 2 hij op 27 januari 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk Bruni S.R.L, type Olympic 38, kaliber 0.22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver heeft gedragen; 3 hij op 27 januari 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk Bruni SRL, type Olympic 38, kaliber 0.22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad; 4 hij op 2 september 2024 en 9 december 2024 te Den Haag openlijk, te weten op 2 september aan de [straatnaam 1] en op 9 december aan de [straatnaam 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever 1] door die [aangever 1] meermalen - te duwen en te trekken en te slaan zodat die [aangever 1] op de grond terecht kwam en - meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en - meermalen tegen het hoofd te slaan en te schoppen; 5 hij op 26 maart 2025 te ’s-Gravenhage [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door - die [aangever 2] een mes te tonen, - die [aangever 2] de woorden toe te voegen: - “ Kom naar buiten. Kom naar de [straatnaam 3] , kanker hond, jij gaat zien. Wat denk je wel niet wie je bent. Kom maar zien. Fuck jullie allemaal. Wacht maar”, en - " kom dan nu, ik ga jou doodmaken met deze mes. Kom dan, pussy. Ik ga jou doodmaken, ik ga jou doodmaken, en - " Ik ga je doodmaken, jij gaat zien. Wacht maar als ik jou pak". 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De op te leggen straf en maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd daarvan een gedeelte van 3 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd, met dien verstande dat het contactverbod alleen moet worden opgelegd jegens slachtoffer [aangever 1] en dat de avondklok middels elektronisch toezicht wordt gecontroleerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat bij strafoplegging rekening gehouden moet worden met het feit dat de verdachte een first offender is en dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voor wat betreft het voorhanden hebben en het dragen van een wapen is er sprake van eendaadse samenloop. Volgens de raadsman is er gelet op die omstandigheden geen ruimte meer om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De verdediging heeft geen bezwaar tegen het verbinden van elektronisch toezicht aan de avondklok. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in een periode van zes maanden schuldig gemaakt aan vier delicten, waarvan twee ernstige geweldsdelicten tegen hetzelfde slachtoffer. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. De openlijke geweldpleging van 2 september 2024 heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in de tram en bij de tramhalte. Op de beelden is te zien dat het druk was in de tram en dat veel omstanders, ook bij de tramhalte, daar getuige van zijn geweest. Het geweld op 9 december 2024 was nog heviger, en langduriger, en met meer daders. Het is afschuwelijk geweest voor het slachtoffer om dit een tweede keer te moeten meemaken. Uit de toelichting bij de ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het herhaalde geweld het slachtoffer nog altijd bezighoudt en van grote invloed is op zijn dagelijks leven. Hij krijgt psychische hulpverlening en kon vanwege zijn klachten de afgelopen maanden niet naar school, waardoor hij studievertraging heeft opgelopen. Niet alleen het slachtoffer, maar ook zijn familie en ook omstanders die getuige zijn geweest van het geweld ondervinden hier gevolgen van. Geweld in het openbaar draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft ook een vuurwapen gedragen en voorhanden gehad in een openbare ruimte. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Vuurwapens kunnen immers worden gebruikt om ernstige strafbare feiten te begaan als overvallen, bedreiging en levensdelicten en worden in toenemende mate gebruikt bij ruzies en bedreigingen, met alle gevolgen van dien. Het onbevoegd voorhanden hebben en dragen van een vuurwapen maakt dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een begeleider van de Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (hierna: KVJJ) waar hij verbleef. Het waren doodsbedreigingen die de verdachte kracht heeft bijgezet door een mes te halen en daarmee naar de aangever te zwaaien. Die heeft zich zeer angstig en onveilig gevoeld. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 mei 2025, waaruit blijkt dat hem in 2023 en 2024 een strafbeschikking is opgelegd. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor vergelijkbare feiten. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch rapport van drs. [naam 2] (orthopedagoog-generalist) van 22 mei
  11. Deze deskundige schat het recidiverisico op gewelddadige delicten zonder verdere inzet van hulpverlening als hoog in. Uit het rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een normoverschrijdende-gedragsstoornis, een periodiek explosieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. De deskundige rapporteert dat de verdachte sterk beïnvloedbaar is en dat hij zonder externe structuur, sturing en toezicht geneigd is te handelen zonder na te denken. Hij is onvoldoende in staat om de gevolgen van zijn gedrag te overzien en is niet in staat te reflecteren op zijn eigen handelen. De neiging van de verdachte om impulsief te reageren kan gepaard gaan met disproportionele (verbale) agressie. De gebrekkige ontwikkeling van zijn probleemoplossende vaardigheden, zijn zwakke ego-ontwikkeling en beperkte impulscontrole vanuit zijn verstandelijke beperking lijken grotendeels verklarend te zijn voor de ten laste gelegde feiten. Om die reden wordt geadviseerd de ten laste gelegde feiten die de verdachte bekent, in verminderde mate aan hem toe te rekenen. Ten aanzien van de openlijke geweldpleging in december 2024 wordt geen advies gegeven over de mate van toerekenbaarheid, omdat de verdachte dit feit ontkent en uit het onderzoek onvoldoende informatie naar boven is gekomen om de precieze doorwerking van de problematiek ten aanzien van dit feit te kunnen beschrijven. Om het recidiverisico te verminderen en de ontwikkeling van de verdachte zo gunstig mogelijk te bevorderen, is het van belang dat hem langdurig veel externe structuur, sturing en toezicht wordt geboden. Op die manier kan hij worden ondersteund in het aanleren en versterken van praktische vaardigheden. Daarnaast dient hij behandeling te krijgen in het leren (h)erkennen van emoties en deze op een gepaste manier te reguleren. Geadviseerd wordt om een (on)voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, bestaande uit onder andere meewerken aan behandeling en begeleiding vanuit een coach. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 25 juli 2025 en de mondelinge toelichting die de deskundige ter zitting heeft gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als (heel) hoog. Ook de Raad neemt in zijn advies mee dat er sprake is van een licht verstandelijke beperking bij de verdachte die van invloed is op zijn vaardigheden. De verdachte is mede als gevolg daarvan onvoldoende in staat om situaties in te schatten en consequenties te overzien. De verdachte volgt op dit moment geen onderwijs en heeft geen andere vorm van dagbesteding. Er zijn zorgen over zijn contacten, te meer nu hij heeft aangegeven dat hij door zijn netwerk in problematische situaties terecht komt. Daarnaast heeft de Raad zorgen of het in de thuissituatie lukt om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de verdachte. Er zijn twijfels of de vader voldoende inziet dat de verdachte meer nodig heeft dan een gemiddelde jongere van zijn leeftijd. De Raad vindt een deels voorwaardelijke jeugddetentie een passende straf. Gelet op de hoge risicofactoren en de kwetsbaarheid van de verdachte wordt begeleiding door de jeugdreclassering nodig geacht om hem te ondersteunen ter voorkoming van recidive. Om het recidiverisico in te perken adviseert de Raad verder om bijzondere voorwaarden op te leggen, bestaande uit behandeling, begeleiding van een coach, een avondklok, het volgen van een zinvolle dagbesteding en een contactverbod met de slachtoffers. De deskundige van de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering heeft ter zitting toegelicht dat het lastig is om een passende dagbesteding voor de verdachte te vinden, omdat hij al voor verschillende plaatsingen is afgewezen. Toerekeningsvatbaarheid De rechtbank volgt de conclusies van de deskundige voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en vindt de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van feit 2, 3 en 5 en ten aanzien van feit 4 voor zover dit ziet op de openlijke geweldpleging van 2 september
  12. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank die oriëntatiepunten tot uitgangspunt. De rechtbank weegt in strafverlagende zin mee dat de verdachte, zoals hiervoor overwogen, ten aanzien van vier feiten verminderd toerekeningsvatbaar is. Verder brengt eendaadse samenloop van feit 2 en 3 mee dat voor deze feiten niet elk afzonderlijk de volle strafmaat kan gelden. In de oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging tegen personen opgenomen een taakstraf van 40 uur, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. De rechtbank weegt daarbij in strafverzwarende zin mee dat er op 9 december 2024 sprake is geweest van recidive ten opzichte van de geweldpleging op 2 september 2024; daarnaast het georganiseerde karakter van de groep, de aard en ernst van met name het op 9 december 2024 gepleegde geweld, de ernstige verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen en het feit dat het slachtoffer op die dag voor de tweede keer slachtoffer is geworden van deze zelfde verdachte. Ten aanzien van het openlijk geweld van 2 september 2024 weegt mee dat dit heeft plaatsgevonden in een volle tram en bij een tramhalte waarbij veel publiek aanwezig was. Het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is jeugddetentie vanaf zes weken. Voor bedreiging met het tonen van een mes geldt een uitgangspunt vanaf 60 uren taakstraf, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Voor de bedreiging weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat deze heeft plaatsgevonden jegens een begeleider van de KVJJ waar de verdachte op dat moment verbleef, dus op de werkplek en tijdens het werk van het slachtoffer. Het aantal feiten en de ernst daarvan brengen mee dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan jeugddetentie. De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt tot het oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 230 dagen, met aftrek van het voorarrest (200 dagen), waarvan 30 dagen voorwaardelijk passend en geboden is. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, omdat de rechtbank het van belang vindt dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad adviseert, met dien verstande dat het contactverbod alleen zal zien op slachtoffer [aangever 1] . De rechtbank vindt het, met de Raad, niet raadzaam dat elektronisch toezicht wordt verbonden aan de avondklok.
  13. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel [aangever 1] 7.1 De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] De rechtbank heeft vastgesteld dat zich in het dossier een verzoek tot schadevergoeding bevindt van het slachtoffer [aangever 1] . Mr. F.J.M. Hamers heeft namens de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding ingediend. Ter zitting heeft [naam 3] , de moeder van [aangever 1] , verklaard dat zij als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding door tussenkomst van de advocaat indient. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 26.946,97, te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. De vordering ziet op € 18.846,97 aan materiële schade en € 8.100,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering ten aanzien van de immateriële schade. Voor wat betreft het gedeelte van de materiële schade dat ziet op de kosten voor de begeleiding, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de reiskosten stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering tot vergoeding van kosten voor een tweede ticket ten bedrage van € 132,99 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dit tweede ticket, waarmee de oma van de benadeelde partij heeft gereisd, niet in direct verband staat tot de openlijke geweldpleging. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van overige materiële schade en van immateriële schade concludeert de officier van justitie tot hoofdelijke toewijzing. De officier van justitie heeft daarbij betaling van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Primair is aangedragen dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het feit van 9 december 2024 zodat de vordering voor zover die ziet op schade als gevolg van dat feit daarom niet-ontvankelijk is. Voor zover wel tot bewezenverklaring wordt gekomen geldt dat de benadeelde partij niet zelf is onderzocht door een arts, wat wel een vereiste is. Onduidelijk is daardoor of er al eerder sprake was van psychische klachten. Uit de toelichting bij de vordering blijkt verder niet dat de klachten van de benadeelde partij zijn voortgekomen uit de openlijke geweldpleging van 2 september
  14. Aannemelijker is dat deze zijn voortgekomen uit de openlijke geweldpleging van 9 december
  15. Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit op die datum komt zijn er volgens de raadsman drie geweldsmomenten te onderscheiden. Het is aannemelijk dat het letsel bij de benadeelde partij al was ingetreden bij een eerder geweldsmoment, voordat de verdachte in beeld was. De verdachte heeft niet samen met anderen gehandeld, waardoor het niet redelijk en billijk is om letsel dat bij eerdere geweldsmomenten is ontstaan aan de verdachte toe te rekenen. Daarnaast is er geen sprake van causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het letsel van de benadeelde partij. Ten aanzien van de reiskosten is het onduidelijk of de afspraken met diverse instanties fysiek of online hebben plaatsgevonden. Bovendien is geen overzicht bijgevoegd van data van de afspraken waarvoor de reiskosten zijn gemaakt en gevorderd. Voor wat betreft de kosten van begeleiding is evenmin duidelijk op welke data de moeder de benadeelde partij begeleiding heeft moeten bieden. Onduidelijk is ook of deze begeleiding verband houdt met gevolgen van de openlijke geweldplegingen. Anders komen kosten voor begeleiding alleen voor vergoeding in aanmerking als professionele hulp is ingezet en daarvoor ontbreekt een indicatie. Voor wat betreft de kosten die zijn gevorderd vanwege studievertraging ligt het, gelet op de ernst van het letsel, voor de hand dat dit is veroorzaakt door de openlijke geweldpleging van 9 december
  16. Dit kan niet aan de verdachte worden toegerekend. Daarnaast is onduidelijk wat de benadeelde partij heeft gedaan om studievertraging te voorkomen, dus schadebeperkend te handelen. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de vliegtickets is niet onderbouwd dat er sprake is van psychische klachten waarvoor de reis naar Turkije noodzakelijk was. Ook hiervoor ontbreekt causaal verband. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Bewezen is verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan het openlijk geweld op 9 december
  17. De rechtbank stelt voorop dat het op grond van het bepaalde in artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) geen verschil maakt hoe groot het aandeel van een dader is geweest in het ontstaan van de schade. In geval van schade door openlijk geweld in vereniging geldt de groepsaansprakelijkheid als bedoeld in dit artikel. Voor aansprakelijkheid voor vergoeding van de schade is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht aard en omvang van die deelname. Materiële schade Kledingschade De kledingschade is door de verdediging niet betwist en voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de openlijke geweldpleging op 2 september 2024, zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van deze schade ten bedrage van € 104,00 toewijzen. Reiskosten Ten aanzien van de post ‘reiskosten’ vindt de rechtbank voldoende toegelicht dat de benadeelde partij deze kosten heeft moeten maken om naar afspraken met verschillende instanties toe te reizen. De rechtbank zal daarom ook de vordering tot vergoeding van deze schade, ten bedrage van € 132,00, toewijzen. Begeleiding Kosten van begeleiding komen voor vergoeding in aanmerking als voldoende is komen vast te staan dat de begeleider daadwerkelijk kosten heeft moeten maken of als inzet van professionele begeleiding noodzakelijk is geweest, waartoe een indicatie is vereist. Voor dit deel van de vordering is ter onderbouwing alleen aangedragen dat de moeder daarvoor tijd heeft moeten vrijmaken die zij anders had kunnen investeren. Daaruit volgt evenwel niet dat zij daarmee daadwerkelijk kosten heeft moeten maken of anderszins in haar vermogen is aangetast. Van een uurloon uit een werkkring of van opgenomen vrije dagen is niet gebleken. Eveneens is zonder onderbouwing gebleven waarom een vergoeding toegekend zou moeten worden gelijk aan het uurloon uit de letselschade richtlijn huishoudelijke hulp. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Vliegtickets Uit de bijlagen valt af te leiden dat de leerplichtambtenaar heeft onderschreven dat het slachtoffer een periode voor rust en herstel nodig heeft wat in de eigen omgeving niet mogelijk is, en daarom toestemming heeft gegeven om buiten de schoolvakanties te reizen. Dat het slachtoffer tijdelijk elders dan in zijn eigen omgeving mocht verblijven heeft wellicht kosten meegebracht, maar van een noodzaak om daartoe met begeleiding heen en terug te reizen naar Turkije is niet gebleken. De keuze om het verblijf buiten de eigen omgeving op deze manier vorm te geven blijft voor rekening van (de familie van) de benadeelde partij, de kosten die daarmee gemoeid zijn geweest komen niet als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit voor vergoeding in deze procedure in aanmerking. De rechtbank zal daarom ook dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Studievertraging Uit de toelichting en de bijlagen wordt afgeleid dat de verdachte studievertraging heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van de onder
  18. bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft fysiek letsel opgelopen en heeft angstklachten ontwikkeld die zo ernstig zijn, dat hij niet meer naar buiten en ook niet meer naar school durfde te gaan. Hij is gedurende geruime tijd niet in staat geweest onderwijs te volgen en heeft daarvoor vrijstelling gekregen. De benadeelde partij is daarom genoodzaakt zijn derde leerjaar te doubleren. Uit de stukken van de school blijkt verder dat hij naar verwachting bij een normale schoolgang zijn studiejaar wel zou hebben behaald. Aldus is voldoende onderbouwd aangedragen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde onder
  19. schade heeft geleden in de vorm van studievertraging, waardoor hij pas later kan toetreden tot de arbeidsmarkt. Dat betekent dat hij jegens de verdachte aanspraak kan maken op vergoeding van schade. Voor volledige aansluiting bij de bedragen uit de letselschade richtlijn studievertraging ziet de rechtbank evenwel onvoldoende aanleiding, nu niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de oorzaak van de studievertraging uitsluitend is gelegen in het bewezenverklaarde feit, of dat wellicht andere omstandigheden daar ook aan hebben bijgedragen. In dat verband is relevant dat uit de stukken volgt dat ook bedreigingen, die de benadeelde partij na de openlijke geweldpleging heeft ontvangen (en die geen deel uitmaken van deze strafrechtelijke procedure) hebben bijgedragen aan verslechtering van zijn psychische gesteldheid. Dat leidt er toe dat de rechtbank de schade als gevolg van studievertraging tot op heden naar billijkheid zal begroten op € 8.875,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van de onder
  20. bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij heeft pijn en letsel opgelopen door de openlijke geweldpleging, waarvan hij op dit moment nog herstellende is. Dat er geen verklaring van een psycholoog is overgelegd ter onderbouwing van het psychisch letsel, staat niet aan toewijzing van vergoeding voor immateriële schade in de weg. Uit de verklaringen van de leerplichtambtenaar, de school en de huisarts en uit de geneeskundige verklaringen volgt zonder meer dat er zowel fysiek letsel als psychische schade is ontstaan. De benadeelde partij is doorverwezen voor zijn psychische klachten en volgt daar op dit moment behandeling voor. De rechtbank maakt voor de bepaling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze te schatten. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade begroten op € 7.000,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Totaal toegewezen De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 16.111,- , bestaande uit (€ 104 + € 132 + € 8.875=) € 9.111,00 ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- ter vergoeding van immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het onder
  21. bewezen verklaarde ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover het slachtoffer aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 16.111,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag volledig zal zijn betaald, ten behoeve van [aangever 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 8De vordering van de benadeelde partijen [naam 3] 8.1 De vordering van de benadeelde partij [naam 3] , de moeder van slachtoffer [aangever 1] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade (schokschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft daarbij hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. 8.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam 3] integraal af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Uit de toelichting van de vordering blijkt dat de psycholoog heeft aangegeven dat de klachten van de benadeelde partij zijn begonnen nadat haar zoon ernstig is mishandeld. Onduidelijk is of dit na de geweldpleging van 2 september 2024 of 9 december 2024 is ontstaan. De brief van de psycholoog is gedateerd 18 juni
  22. Hieruit blijkt niet wanneer de behandeling voor de psychische klachten is aangevangen. Indien dit pas recent is gestart, kan worden afgevraagd of de klachten ernstig genoeg waren om van schok te spreken. 8.4 Het oordeel van de rechtbank Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van immateriële schade aan een ander dan het rechtstreekse slachtoffer plaatsvinden als door het waarnemen van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij die benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie deze benadeelde partij in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond (zogenoemde ‘shockschade’). Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De benadeelde partij is niet fysiek aanwezig geweest tijdens de openlijke geweldplegingen tegen haar zoon. De benadeelde partij is op een later moment met de gevolgen van het onrechtmatige handelen jegens haar zoon geconfronteerd. Hoewel niet ter discussie staat dat de confrontatie met de gevolgen van de openlijke geweldplegingen tegen haar zoon een grote impact op haar heeft gehad en een emotionele schok teweeg heeft gebracht, kan bij de gegeven toelichting niet worden vastgesteld dat -uitsluitend- de latere confrontatie met de gevolgen van het openlijk geweld heeft geleid tot zodanig geestelijk letsel dat sprake is van shockschade in hiervoor bedoelde zin. Nadere onderbouwing van stellingen en mogelijke bewijslevering betekenen een onaanvaardbare belasting van de strafzaak. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. 9De inbeslaggenomen voorwerpen 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerp (beslaglijst) voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ter zitting geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen revolver. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het op de beslaglijst genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp de bewezenverklaarde feiten zijn begaan; 10De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: - 36 b, 36c, 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht; - 26, 27, 54, 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 11De beslissing De rechtbank: vrijspraak verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.8 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: de eendaadse samenloop van feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; en feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; ten aanzien van feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf en maatregel veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 230 (TWEEHONDERDDERTIG) DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (200 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 30 (DERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  23. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering;
  24. meewerkt aan de begeleiding van een coach van E25 of soortgelijke instelling, gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd).
  25. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling voor zowel individuele hulpverlening als systemische hulpverlening en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
  26. gedurende maximaal 6 maanden van de proeftijd van 20:00 uur tot 7:00 uur aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] , [postcode] te [plaats 2] , waarbij de jeugdreclassering de tijden kan aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;
  27. gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding heeft middels school, stage en/of werk bij Inwork van E25 of een andere door de jeugdreclassering goedgekeurde zinvolle dagbesteding heeft;
  28. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: - [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 2]
  29. geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 16.111,-, bestaande uit € 9.111,00 ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 september 2024 tot aan de dag waarop deze vordering volledig zal zijn voldaan; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 16.111,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; de vordering van de benadeelde partij [naam 3] verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil; de inbeslaggenomen goederen verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Revolver; het bevel tot voorlopige hechtenis heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter, mr. M.J. Bouwman, kinderrechter, en mr. E. van Die, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mrs. L.B.M.A. Roozen en L.J. van Heel, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.