← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21597

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54445 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 6 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van de zaak. Eiser heeft op 11 november 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 12 november 2025 op gereageerd. Op 17 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [datum] 1992 en heeft de Portugese nationaliteit.
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij het verwijderingsbesluit van 28 augustus 2025 op 4 september 2025 heeft ontvangen, maar vanwege het gebrek aan financiële middelen en een strafrechtelijke detentie is het hem niet gelukt om naar Portugal terug te keren. Verder verleent hij alle medewerking om aan originele documenten te komen, beschikt hij over een woonruimte en krijgt hij hulp van zijn familie vanuit Portugal.
  4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3b en 3c – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het verwijderingsbesluit van 28 augustus 2025, uitgereikt op 4 september 2025, nog steeds werking heeft nu eiser nog niet naar Portugal is teruggekeerd. De termijn van vier weken waarin eiser Nederland diende te verlaten, is reeds verstreken. Hiermee is de feitelijke juistheid van de zware gronden 3b en 3c gegeven, zodat verweerder deze dan ook terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
  5. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
  6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond; en  wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.