RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51875 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. Sojo). Procesverloop Bij besluit van 18 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2007, de Ethiopische nationaliteit te hebben en tot de Oromo bevolkingsgroep te behoren. Op 24 september 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eisers vader werd verdacht van lidmaatschap bij de gewapende tak OLF-Shene/OBA/ABO. Hierdoor zijn de Ethiopische autoriteiten vaak bij eiser thuis langsgekomen en is eiser door diezelfde autoriteiten mishandeld. Eiser heeft naar aanleiding van de moord op [naam 2] op 29 juni 2020 – een Ethiopische zanger en activist – deelgenomen aan een demonstratie op 30 juni
- Die avondzijn de autoriteiten opnieuw bij eiser thuis langsgekomen en hebben eisers vader meegenomen op verdenking van het coördineren van deze demonstratie. Daarbij is de moeder van eiser flink mishandeld. In de periode daarna zijn de autoriteiten nog regelmatig langs geweest en hebben eiser beschuldigd hetzelfde pad als zijn vader op te gaan. Eiser werd daarbij ook mishandeld. Vanaf juli 2021 werden jongens geronseld voor de oorlog. In augustus 2021 is eiser opgepakt en meegenomen door de militaire dienst. Hij heeft zes dagen gevangen gezeten, waarna hij heeft kunnen ontsnappen en Ethiopië heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkeer te worden gerekruteerd. Ook vreest eiser voor vervolging door de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Het bestreden besluit
- In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen van eiser wegens de betrokkenheid van zijn vader bij de OBA/Shene, worden ongeloofwaardig geacht. Het wordt eiser aangerekend dat hij geen documenten bezit ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De door eiser gestelde problemen wegens zijn dienstplicht worden eveneens ongeloofwaardig geacht. Ook de verklaringen ten aanzien van dit asielmotief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers politieke overtuiging en daarmee zijn deelname aan de demonstratie op 30 juni 2020 in Ethiopië en een demonstratie voor Oromo rechten in Den Haag worden geloofwaardig geacht. Verweerder betrekt in dit kader de door eiser overgelegde foto’s met een Oromo-vlag tijdens die demonstratie in Den Haag. De vrees voor vervolging vanwege eisers politieke overtuiging is echter niet aannemelijk gemaakt. De OBA betreft sinds 2018 een legale partij in Ethiopië. Bij terugkeer naar Ethiopië loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: AMV). Door verweerder zal nader onderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van adequate opvang in Ethiopië. Beroepsgronden
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. De Werkinstructie (hierna: WI) 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling’ is in strijd met het Unierecht. Verweerder miskent de samenwerkingsplicht die voortvloeit uit de Procedurerichtlijn, de eigen verantwoordelijkheid van eiser wordt te veel benadrukt en eiser wordt een te zware bewijslast opgelegd. Ook heeft verweerder onvoldoende eisers referentiekader bij de geloofwaardigheidsbeoordeling betrokken. Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers problemen wegens betrokkenheid van zijn vader bij de OLF-Shene en eisers vrees voor rekrutering en dienstplicht ongeloofwaardig zijn geacht. Verder hanteert verweerder een onjuiste en onvolledige beoordeling van eisers politieke overtuiging, heeft hij een onjuiste beoordeling toegepast aangaande het reëel risico op ernstige schade en is ten onrechte niet uitgegaan van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook is door verweerder ten onrechte eisers medische informatie niet betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dit geldt ook voor de beoordeling van eisers medische omstandigheden in het licht van de vraag of verweerder ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning moet verlenen, dan wel bij het verlenen van uitstel van vertrek. Tot slot handelt verweerder onvoldoende voortvarend in het licht van het AMV-buitenschuldbeleid. De rechtbank oordeelt als volgt. WI 2024/6
- Hoe een asielrelaas volgens het Europese Unierecht moet worden beoordeeld, staat in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De voorwaarden uit dit artikel zijn overgenomen in artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het uitgangspunt is dat de asielzoeker zijn asielrelaas aannemelijk moet maken. In voorkomende gevallen moet verweerder in samenwerking met de asielzoeker de relevante elementen van het asielrelaas helpen vaststellen. Verweerder moet hierbij rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker en dat een asielrelaas vaak niet (volledig) met documenten kan worden onderbouwd. Verweerder moet kijken naar de interne consistentie van een asielrelaas, maar ook naar de consistentie met andere bronnen zoals landeninformatie. Alleen als aan alle voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn is voldaan, kan worden bekeken of de asielzoeker het voordeel van de twijfel moet krijgen. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de Werkinstructie 2024/
- Anders dan eiser aanvoert, is de Werkinstructie 2024/6 dus niet in strijd met het Europees Unierecht. Betrokkenheid van vader bij de OBA/Shene
- Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd tegengeworpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielaanvraag en dat hij geen goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Aan eiser wordt tegengeworpen dat hij na zijn vlucht uit de militaire woning is teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis en dat daarom van hem had mogen worden verwacht dat hij foto’s van zijn vader met de OLF-vlag, andere documenten van zijn vaders activiteiten voor de OLF en medische documenten, die de behandeling die eiser heeft ondergaan ten gevolge van de ondergane mishandelingen, zou verzamelen. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn vader foto’s en documenten rondom zijn lidmaatschap bij de OBA/Shene thuis zou bewaren. Daar staat tegenover dat eiser ook heeft verklaard dat zijn vader na de demonstratie op 30 juni 2020 naar huis is gekomen om die documenten op te halen, waarna hij is opgepakt. Ten aanzien van de ondergane medische behandeling heeft hij verklaard geen documenten te bezitten omdat hij door zijn moeder hierheen werd gebracht. Bovendien is eiser de militaire woning ontvlucht, waarna hij naar huis is gekeerd en zijn moeder hem direct naar zijn oom heeft gestuurd. Hier heeft eiser vier of vijf dagen verbleven – terwijl hij werd gezocht – waarna hij het land heeft verlaten in
- Eiser was toen bij benadering veertien jaar oud. Niet valt in te zien dat gelet op al deze omstandigheden en eisers minderjarige leeftijd, van hem verwacht had mogen worden dat hij na het vluchten uit de militaire woning, bij thuiskomst in deze korte periode op zoek zou zijn gegaan naar de documenten van zijn vader, voor zover die thuis nog aanwezig waren, dan wel zijn medische stukken. In dat verband is eveneens van belang dat eiser heeft verklaard geen contact met zijn familie in Ethiopië te hebben.
- Een onderdeel van WI 2024/6 is dat verweerder rekening houdt met het referentiekader van de individuele asielzoeker. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop diegene in staat is om te verklaren over het asielrelaas, waaronder opleidingsniveau, culturele en maatschappelijke achtergrond, enzovoorts. Weliswaar heeft verweerder gelet op pagina 6 van het voornemen en pagina 4 van het bestreden besluit het referentiekader van eiser kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Maar de tegenwerping dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen is door verweerder eveneens ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft gelet op eisers referentiekader onvoldoende gemotiveerd dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn vader en onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn vaders activiteiten. Zo was eiser ten tijde van de gebeurtenissen rondom zijn vader bij benadering dertien jaar oud en heeft eiser verklaard dat zijn vader af en toe stiekem thuiskwam en actief was voor de gewapende tak OLF-Shene. Verweerder dient in dit geval kenbaar rekening te houden met eisers referentiekader. Dit heeft hij echter onvoldoende gedaan.
- Ook volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stelling dat de door eiser gestelde problemen niet overeenkomen met het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië (hierna: ambtsbericht) van januari
- Verweerder is er in zijn besluitvorming van uitgegaan dat de vader van eiser lid is van de OBA/Shene. Dit betreft volgens verweerder een politieke groepering die sinds 2018 in Ethiopië legaal is. Daarbij gaat verweerder ervan uit dat de politieke activiteiten voor de OLF niet per definitie tot een probleem met de autoriteiten hoeven te leiden en dat niet blijkt dat de autoriteiten de OLF als partij willen verbieden of hun leden en sympathisanten willen vervolgen. Eiser heeft in de gehoren echter verklaard dat zijn vader behoort tot de OBA/Shene, OLF/Shene, ABO en de OLA. Deze groepering wordt sinds 2021 door de Ethiopische autoriteiten als terroristische organisatie gekwalificeerd, zo blijkt uit datzelfde ambtsbericht. Daarmee moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen de OLF en de OBA/Shene, OLF/Shene, ABO en OLA. De rechtbank constateert dat verweerder het gestelde lidmaatschap van eisers vader bij die laatstgenoemde organisatie niet in het juiste perspectief heeft beoordeeld. Dit betekent dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Dienstplicht
- Bovendien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de verklaringen over eisers gestelde problemen wegens zijn dienstplicht niet samenhangend en aannemelijk zijn. De door eiser aangehaalde brief van Vluchtelingenwerk Nederland heeft volgens verweerder betrekking op leden en sympathisanten van de OLF en hier wordt daarom door verweerder niet op ingegaan. Zoals de rechtbank in haar eerdere overwegingen al heeft geconstateerd, heeft eiser verklaard dat zijn vader lid is van de OLF-Shene. Deze door eiser aangehaalde stukken zijn door verweerder daarom ten onrechte niet bij de beoordeling van dit asielmotief betrokken. Verder merkt de rechtbank op dat de door eiser gestelde dienstplicht niet geloofwaardig wordt geacht vanwege zijn vage en oppervlakkige verklaringen en omdat uit het ambtsbericht volgt dat Ethiopië geen dienstplicht kent. Eiser heeft zijn verklaringen in de gehoren echter beperkt tot zijn vrees voor rekrutering en niet voor een dienstplicht.
- Ten aanzien van de vrees voor een gedwongen rekrutering overweegt verweerder dat uit het ambtsbericht van november 2022 volgt dat gedwongen rekrutering voorkomt in de provincie Oromia, maar dit betekent niet dat dit ook eiser zal overkomen. Eiser heeft evenwel voor de zitting een rapport van de Deense Immigratie- en Naturalisatiedienst overgelegd, daterende van na de inwerkintreding van het ambtsbericht van januari 2024, waaruit volgt dat gedwongen rekrutering nog steeds plaatsvindt in Ethiopië. Deze informatie over gedwongen rekrutering komt overeen met eisers verklaringen op dit punt, alsmede met de situatie zoals uiteengezet in het ambtsbericht van november
- In de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 25 augustus 2025 wordt eveneens bevestigd dat jongeren in hun vroege tienerjaren volgens een rapport van de Ethiopian Human Rights Commission (EHRC) onder dwang worden gerekruteerd voor militaire dienst om aan de kant van de federale regeringstroepen te vechten tegen rebellengroepen in de regio’s Amhara en Oromia. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen in dit kader oppervlakkig zijn en geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.Politieke overtuiging
- Ook wat betreft de vrees voor vervolging wegens eisers politieke overtuiging overweegt verweerder dat de OLF een legale organisatie is in Ethiopië sinds 2018, zodat de gestelde vrees niet aannemelijk wordt geacht. Gelet op hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van het lidmaatschap van eisers vader bij een door de Ethiopische autoriteiten aangemerkte terroristische groepering, kan ook deze motivering het standpunt dat eiser zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt, niet dragen. Veiligheidssituatie Ethiopië
- In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn is bepaald dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Het Europese Hof heeft in het arrest van 9 november 2023 in de zaak X en Y (ECLI:EU:C:2023:843) uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade.
- Dat eiser met zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade of willekeurig geweld bij terugkeer naar Ethiopië is door verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Door eiser wordt benadrukt dat hij tot de Oromo-bevolkingsgroep behoort, uit Oromia afkomstig is en dat hij om die reden disproportioneel gevaar loopt. Het advies dat volgt uit de beslisnota bij de Kamerbrief inzake het landenbeleid Ethiopië van 2 april 2024, spreekt van een verslechterde veiligheidssituatie in de regio Oromia in vergelijking met het einde van de vorige verslagperiode. Ook in de door eiser aangevoerde bronnen ter aanvulling op het ambtsbericht 2024 wordt bevestigd dat de situatie in de regio Oromia sterk is verslechterd. Uit de beslisnota volgt eveneens dat gelet op de informatie uit het ambtsbericht het willekeurig geweld in Oromia te beperkt wordt geacht om over te gaan tot het advies om een zogenaamde ‘artikel 15c-situatie’ voor Ethiopië aan te nemen. Gelet op de door eiser aangehaalde aanvullende bronnen over de huidige situatie in Ethiopië – meer specifiek in Oromia – kan niet zonder meer worden uitgegaan van de informatie die in het algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 wordt gegeven. Verweerder dient gelet op de aanvullende informatie nader te motiveren of in het geval van eiser sprake is van een reëel risico op ernstige schade wegens willekeurig geweld bij terugkeer naar Ethiopië. AMV-buitenschuldbeleid
- In een drietal uitspraken van 8 juni 2022, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het Europese Hof in de zaak T.Q. tegen Nederland. In deze uitspraken is geoordeeld dat verweerder zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Verweerder moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat verweerder voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet verweerder in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet verweerder een reguliere verblijfsvergunning verlenen op grond van artikel 3.48, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire
- Verweerder heeft niet in overeenstemming met deze rechtspraak gehandeld. Eiser heeft op 24 september 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat door DT&V in februari 2025 een onderzoek is opgestart naar adequate opvang in eisers land van herkomst. In het bestreden besluit en ter zitting is niet gebleken waarom verweerder niet eerder dan 17 maanden na de indiening van eisers asielaanvraag een onderzoek heeft opgestart. Verweerder heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom hij een terugkeerbesluit achterwege heeft gelaten en waarom hij geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid aan eiser heeft verleend. Conclusie
- Zoals uit de bovenstaande overwegingen blijkt, bevat het bestreden besluit diverse zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken. De rechtbank ziet daarin aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Er is geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat het op de weg van verweerder ligt om nogmaals een inhoudelijke beoordeling van eisers asielaanvraag te verrichten. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Oromo Liberation Front. Adda Bilissuma Oromo. Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Idem. Richtlijn 2011/95/EU. Op pagina 15 en 16 van het nader gehoor. Op pagina 19 van het nader gehoor. Op pagina 24 van het nader gehoor. Verweerder verwijst in dit kader naar pagina 55 van het ambtsbericht. Oromia Liberation Army. Dit volgt uit pagina 32 van het ambtsbericht. Dit betreft een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 25 augustus 2025 over gedwongen rekrutering in Ethiopië. Verweerder verwijst naar pagina 53 van het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november
- Eiser heeft in dit kader een rapport overgelegd van de Deense Immigratie en Naturalisatiedienst van oktober 2024, genaamd ‘Ethiopia – Security situation in Amhara, Oromia an Tigray regions and return’. Pagina 2 van de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 25 augustus 2025, nieuwsartikel van Voice of America van 10 januari
- Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Met de kenmerken ECLI:NL:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2022:1531 en ECLI:NL:RVS:2022:
- Een uitspraak van 14 januari 2021 met het kenmerk ECLI:EU:C:2021:
- Dienst Terugkeer & Vertrek.