← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21712

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. S. Faber), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K.J. Diender). Procesverloop

  1. De minister heeft op 2 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.
  2. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. 1.
  3. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Zijn gemachtigde en een tolk hebben vanuit het detentiecentrum in Rotterdam, met behulp van telehoren, deelgenomen aan de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen
  5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was en dat de maatregel rechtmatig is verlengd. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 oktober 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  6. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Wat vindt eiser?
  7. Eiser betoogt - samengevat - dat de bewaring bijna negen maanden duurt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Ook ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije. Oordeel van de rechtbank
  8. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser is op 10 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, van de Vw. Op 2 april 2025 heeft de minister de maatregel opgeheven en is een nieuwe maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit betekent dat de bewaringstermijn vanaf 2 april 2025 opnieuw is gaan lopen en dat de bewaring van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw zeven maanden duurt. In onderhavige procedure ligt het voortduren van deze maatregel ter toetsing voor.
  9. Een inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en er zijn op dit moment geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat de Algerijnse autoriteiten geen lp meer zullen afgeven. Daar komt bij dat eiser nog steeds iedere medewerking aan zijn uitzetting weigert. Naast het feit dat eiser op 8 juli 2025 niet is verschenen op een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 14 oktober 2025 aangegeven dat hij niets heeft gedaan om aan identiteitsdocumenten te komen. Dat de bewaring daardoor langer duurt komt dan ook voor zijn rekening en risico. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleent, de Algerijnse autoriteiten zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting gegeven. 6.
  10. De rechtbank is van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister op 16 oktober 2025 en 7 november 2025 (schriftelijk) gerappelleerd. Ook heeft op 14 oktober 2025 en 11 november 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Dat de bewaring nu zeven maanden duurt maakt dat oordeel niet anders. 6.
  11. De rechtbank heeft in de hiervoor onder
  12. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Conclusie
  13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet
  15. NL25.47081 en NL25.48897, ECLI:NL:RBDHA:2025:
  16. Zie de Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  17. Laissez-passer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.