RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53331 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Celikkal, als waarnemer van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Bewaringsgronden 1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 1.1. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. 1.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Voor zware grond 3h geldt dat verweerder, in aanvulling op de feitelijke toelichting, nader moet toelichten waarom op basis van die grond moet worden aangenomen dat een risico op onttrekking bestaat. 1.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft sinds het besluit van 17 december 2015, waarbij (onder meer) aan hem een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd, geen rechtmatig verblijf meer en eiser heeft zijn illegaal verblijf sindsdien niet (steeds) gemeld bij de korpschef. Hiermee heeft eiser zich (meermalen) enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk bij besluit van 17 december 2015 een terugkeerbesluit (zonder vertrektermijn) gekregen en heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3h zich feitelijk voordoet, aangezien aan eiser bij besluit van 17 december 2015 ook een zwaar inreisverbod is opgelegd. Ook heeft verweerder deugdelijk toegelicht dat op basis van die zware grond moet worden aangenomen dat er een risico op onttrekking bestaat. Verweerder leidt immers terecht een onttrekkingsrisico af uit de omstandigheid dat eiser al jarenlang een illegaal verblijf in Nederland onder de vigeur van een zwaar inreisverbod en daarmee het plegen van een misdrijf (artikel 197 Wetboek van Strafrecht) verkiest boven het terugkeren naar Marokko. 1.4. Verweerder heeft dus in ieder geval de zware gronden 3b, 3c en 3h aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De betwiste lichte gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. 2.1. Gelet op de onder 1.4. genoemde dragende zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser zich (meermalen) aan het toezicht heeft onttrokken door zich niet (steeds) te melden bij de autoriteiten, niet heeft voldaan aan de uit het besluit van 17 december 2015 voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten en al jarenlang een (strafbaar) verblijf onder de vigeur van een zwaar inreisverbod in Nederland verkiest boven een terugkeer naar Marokko, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet. Zicht op uitzetting 3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser heeft vaker in bewaring gezeten, maar een laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.