uitspraak op verzet RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41740-V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposant] , opposant V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. I. Vreeken), Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingesteld, omdat de minister van Asiel en Migratie (de minister) volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een asielaanvraag. In de uitspraak van 25 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak, een eerste gehoor af te nemen en om binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Overwegingen
- Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak op 25 juli 2025 gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
- In deze verzetszaak moet de rechtbank beoordelen of zij op 25 juli 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dater dus geen zitting nodig was. Oordelend in verzet, kijkt de rechtbank (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2025 niet juist was. Ten aanzien van het verzet
- Volgens opposant is de uitspraak van 25 juli 2025 niet juist, omdat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat opposant nog niet was gehoord omtrent zijn asielmotieven. Dit was echter wel degelijk al gebeurd en wel op 13 mei
- Als gevolg hiervan heeft de rechtbank ten onrechte een langere nadere beslistermijn aan de minister gegeven.
- De verzetsrechter is het met opposant eens. Ten tijde van de uitspraak van 25 juli 2025 was de rechtbank niet gefaformeerd over het gehoor van 13 mei
- Dat neemt niet weg dat de rechtbank in die uitspraak aan de minister ten onrechte een nadere beslistermijn van zestien weken heeft opgelegd. Het verzet is daarmee kennelijk gegrond. De uitspraak van 25 juli 2025 komt te vervallen.1 Ten aanzien van het beroep
- De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grand van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
- Het beroep is gegrond. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-. Conclusie en gevolgen
- Het verzet en het beroep zijn gegrond.
- De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor van 1).
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser voor zover de minister dit nog niet heeft voldaan, ook een vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor van 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart de uitspraak van 25 juli 2025 vervallen; verklaart het beroep gegrond; vemietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-; veroordeelt de minister tot betaling van de door opposant/eiser gemaakte proceskosten van in totaal €
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
- Artikel 8:55, negende lid, van de Awb. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 oktober 2025 Documentcode: [Documentcode] Bent u bet niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet <lit doen binnen zes weken na de <lag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.