uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL25.35750 en NL25.35751 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] tezamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood). Procesverloop Bij besluiten van 31 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft met een schriftelijke verklaring afstand gedaan van het recht om te worden gehoord. Eiseres is wel verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Li. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eisers stellen van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1990 respectievelijk [geboortedatum 2]
- In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan; 3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eisers: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben; 4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
- De rechtbank stelt vast dat eisers de zware gronden 3a en 3b en alle lichte gronden hebben betwist. Met betrekking tot de lichte gronden voeren eisers aan dat het standaard gronden zijn die altijd worden aangevoerd. Eisers verblijven in een asielzoekerscentrum en krijgen leefgeld van het COA. Wat betreft de lichte grond 4a, wordt niet duidelijk gemotiveerd waaruit blijkt dat ze geen medewerking verlenen of de procedure ontwijken of belemmeren. De rechtbank is echter van oordeel dat de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling opvang krijgt in een asielzoekerscentrum betekent niet dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft.1 Het krijgen van leefgeld is evenmin voldoende om te stellen dat een vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt. Het moet gaan om voldoende middelen om in het levensonderhoud te voorzien en de terugreis naar het land van herkomst, of in dit geval het Dublinland, te bekostigen.2 Hiervan is niet gebleken. De rechtbank volstaat daarom met het oordeel dat de zware grond 3k en de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd in de maatregelen van bewaring. Deze gronden zijn al voldoende om de maatregelen te kunnen dragen en een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen is daarmee gegeven. De beroepsgronden slagen niet. Zijn eisers detentieongeschikt?
- Eisers voeren aan dat zij detentieongeschikt zijn. Eiseres is zwanger en heeft hartproblemen en eiser heeft een PTSS en een sterke neiging om zichzelf van het leven te beroven. Hij heeft meerdere pogingen gedaan tot suïcide. Verder zijn eisers medisch gezien evenmin in staat om op 12 augustus 2025 te worden overgedragen aan Slovenië.
- De enkele stelling van eisers dat hun medische situatie maakt dat zij niet in bewaring kunnen blijven, is onvoldoende voor het oordeel dat zij detentieongeschikt zijn. De stelling is niet met (medische) documenten onderbouwd, het is uit de brief van de minister van 8 augustus 2025 enkel kenbaar dat eiser in het detentiecentrum [plaats] in het trappengat van 4 meter hoog naar beneden is gesprongen. Het is niet duidelijk wat hem hiertoe heeft gedreven, omdat daarover geen medische stukken zijn overgelegd. Eiser is toen overgebracht naar het ziekenhuis, waar geen fysiek letsel is geconstateerd. Op 4 augustus 2025 is hij in het [locatie] geplaatst waar hij de zorg krijgt die hij nodig heeft. Volgens de ter zitting door de minister verstrekte informatie is een mogelijke suïcidepoging aldaar, nadat hem de vluchtgegevens bekend waren geworden, voorkomen en is er adequaat gehandeld. Eiseres verblijft in het detentiecentrum [plaats] waar enkel gezinnen, vrouwen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen verblijven. Dit complex is beter toegerust op zwangere vrouwen en eiseres heeft daar toegang tot alle medische voorzieningen als dat nodig is. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de geplande overdracht en de vraag of eisers medisch gezien in staat zijn uit te reizen losstaan van het oordeel over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Wel constateert de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de vlucht zal worden uitgevoerd met
- ECLI:NL:RVS:2006:AY
- 2 ECLI:NL:RVS2021:
- een medische escort en dat eiser medisch “fit to fly” is verklaard, wat de minister ter zitting heeft bevestigd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
- Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig waren.
- De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 augustus 2025 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.