uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13892 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kowsari). Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 4 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2002] .
- Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Is de maatregel van bewaring op de juiste manier uitgereikt?
- Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring is ondertekend nadat de maatregel al was opgelegd. Bij het valideren van de elektronische handtekening waarmee het M109 formulier (maatregel van bewaring) is ondertekend komt volgens eiser naar voren dat de maatregel om 14:12 uur is ondertekend, terwijl uit ditzelfde formulier blijkt dat de maatregel al om 13:15 uur is opgelegd. Eiser verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling.i
- De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister een niet ondertekende maatregel aan eiser heeft overlegd. Uit het valideren van deze handtekening blijkt dat deze op 25 maart 2025 om 13:12 uur (en dus niet om 14:12 uur, zoals eiser stelt) is geplaatst. De besluitvorming en de bekendmaking is in dit geval dus in de juiste volgorde verlopen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voldoet de informatiefolder aan de voorschriften?
- Eiser stelt verder dat de aan eiser uitgereikte informatiefolder over de maatregel van bewaring niet juist is vertaald. In de folder wordt gesproken over la mäsura arestului preventiv, wat door een beëdigd vertaler is vertaald als ‘voorlopige hechtenis’, terwijl het om vreemdelingen bewaring gaat.
- De minister heeft ter zitting verwezen naar de (Roemeense vertaling van) de folder die op zijn website is gepubliceerd, waaruit zou blijken dat la mäsura arestului preventiv kan worden vertaald als ‘vreemdelingenbewaring’.
- De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat eiser met de woorden la mäsura arestului preventiv onjuist is geïnformeerd. Weliswaar heeft een beëdigd vertaler deze woorden vertaald met ‘voorlopige hechtenis’, maar eiser heeft niet onderbouwd welke woorden dan gebruikt moeten worden. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de uitleg van verweerder dat la mäsura arestului preventiv (ook) kan worden vertaald als vreemdelingenbewaring. Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring
- In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven. Lichter middel
- Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiser aan dat hij beschikt over een Roemeens identiteitsbewijs en 140 euro. Dit is voldoende om zelfstandig te vertrekken. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek tevens verklaard dat hij zelf naar wil gaan.
- De rechtbank oordeelt dat de minister in de maatregel uitgebreid en voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarnaast is zijn EU-verblijfsrecht bij beschikking van 29 juli 2024 ingetrokken en is deze beschikking op 12 februari 2025 aan eiser uitgereikt. Het is niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland hierna daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Uit de gronden van de maatregel en de motivering daarvan volgt dus dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat en dat een lichter middel niet effectief zal zijn. Een lichter middel kan enkel opgelegd worden als dit ook daadwerkelijk kan leiden tot de uitzetting van eiser, daarvan is gelet op het vorenstaande geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
- De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 april 2025 Documentcode: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. i ECLI:NL:RVS:2021:543