← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21846

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14021 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kowsari). Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1992] . Is de maatregel van bewaring op de voorgeschreven wijze ondertekend?
  2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring is ondertekend nadat de maatregel al was opgelegd. Bij het valideren van de elektronische handtekening waarmee het M109 formulier (maatregel van bewaring) is ondertekend komt volgens eiser naar voren dat de maatregel om 18:11 uur is ondertekend, terwijl uit ditzelfde formulier blijkt dat de maatregel al om 17:30 uur is opgelegd. Eiser verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling.i
  3. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister een niet ondertekende maatregel aan eiser heeft overlegd. Uit het valideren van deze handtekening blijkt dat deze op 25 maart 2025 om 17:11 uur (en dus niet om 18:11, zoals eiser stelt) is geplaatst. De besluitvorming en de bekendmaking is in dit geval dus in de juiste volgorde verlopen.
  4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  5. De rechtbank stelt vast dat eiser grond 3c betwist. Eiser stelt ten aanzien van deze grond dat het uitreikingblad van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit niet in het dossier zit. Daarnaast blijkt uit het terugkeerbesluit onvoldoende duidelijk dat eiser de EU dient te verlaten.
  6. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd. De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit staat dat eiser binnen 4 weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland dient te verlaten en dat een kopie van dit besluit is uitgereikt aan eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  7. De overige niet betwiste gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
  8. Eiser voert verder aan dat de informatiefolder over de maatregel van bewaring niet aan de eisen van artikel 5.3 het Vb voldoet. De beroepsclausule is te directief geformuleerd. Ook is daarin opgenomen dat eiser binnen 4 weken in beroep kan tegen het opleggen van de maatregel en daarnaast ook een voorlopige voorziening kan treffen. Daarnaast is de zinsnede ‘U kunt geen rechten ontlenen aan enige informatie in deze brief’ niet correct en mogelijk verwarrend in een folder waarin de vreemdeling wordt geïnformeerd over zijn rechten. Tot slot wordt in de folder niet gemotiveerd waarom de maatregel van bewaring wordt opgelegd en wordt hiervoor ten onrechte ook niet verwezen naar de maatregel.
  9. De rechtbank oordeelt dat de informatiefolder op de in rechtsoverweging 8 van de uitspraak genoemde punten niet voldoet aan de voorschriften van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Daarom is er sprake van een gebrek bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling echter pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt in dat verband dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk in het Arabisch is medegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. Verder heeft hij gebruik gemaakt van gratis rechtsbijstand en is namens hem tijdig beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is het geconstateerde gebrek niet dermate ernstig, dat dit zwaarder weegt dan de belangen van de minister bij de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel van bewaring hierom onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
  10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
  11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 april 2025 Documentcode: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. i ECLI:NL:RVS:2021:543

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.