← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21864

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.11938 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. van Elp), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  2. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
  4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
  5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
  6. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  7. Standaard voornemen
  8. Eiser stelt dat het voornemen in dit geval onzorgvuldig is voorbereid, omdat het passages bevat die helemaal niet op eiser van toepassing zijn, namelijk de passages over een veilig land van herkomst en medische situatie. Verder missen er juist relevante passages. De minister maakt namelijk niet inzichtelijk welke omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en waarom dat bij eiser niet het geval is. De minister heeft bijvoorbeeld niet per familielid aangegeven waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser stelt verder dat dit voornemen niet alle dragende overwegingen bevat. De minister heeft zich niet afdoende ingespannen om alle feiten te verzamelen, te onderzoeken en op te schrijven. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2025.2 Uit deze uitspraak volgt dat de gehoren in de Dublinprocedures zonder meer summier zijn.
  9. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen voornemen en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling, van 23 november 2023, volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen standaard overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen kan op zichzelf dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De vreemdeling heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen, indien de specifieke verklaringen van de vreemdeling niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen.
  10. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. Daarbij komt dat in het voornemen is ingegaan op de bezwaren die eiser heeft tegen terugkeer naar Duitsland. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister per familielid aan had moeten geven waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De passages over een veilig land van herkomst zien op de beoordeling van proceseconomische redenen. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt mogen stellen dat proceseconomische redenen altijd bij de afweging worden betrokken. Verder merkt de rechtbank op dat eiser in het aanmeldgehoor op pagina 3 aangeeft dat hij zich niet goed voelt en daarvoor pijnstillers slikt. De minister heeft de passages over medische voorzieningen in Duitsland om die reden terecht meegenomen in het voornemen. Eiser is verder in staat gesteld om al zijn bezwaren tegen de overdracht naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister de asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
  11. Eiser stelt dat het bestreden besluit ten aanzien van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onvoldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit is hetgeen eiser heeft verklaard omtrent zijn familie niet opgenomen. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij familie heeft in Nederland, namelijk een halfzus en een oom van zijn vaders kant. De minister is daar in het bestreden besluit niet op ingegaan. Verder heeft eiser tijdens het gehoor ook aangegeven dat hij vreest dat Duitsland hem terugstuurt naar Somalië 2 ECLI:NL:RBDHA:2025:
  12. en dat Duitsland hem ongewenst heeft verklaard. Daar is de minister ook niet op ingegaan. Het besluit is op het punt van artikel 17 Dublinverordening dan ook onvoldoende gemotiveerd.
  13. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zienswijze geen bezwaren naar voren heeft gebracht die zien op zijn familie hier in Nederland. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor de minister om nog nader in te gaan op dit punt in de beschikking. Eiser heeft verder ook niet uitgelegd waarom de aanwezigheid van zijn familie zijn situatie bijzonder maakt.
  14. Wat betreft eisers vrees om door de Duitse autoriteiten te worden teruggestuurd naar Somalië, oordeelt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat op pagina 5 van de beschikking een uitgebreide passage is opgenomen over dit bezwaar. Het besluit is voldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 03 april 2025 Documentcode: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.