uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.11784 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. sareen als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
- Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Kan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan ten aanzien van België?
- Eiseres stelt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van België, omdat de asielopvang niet voldoet aan de minimum eisen. Eiseres heeft eerder een opvangplek moeten delen met twee andere vrouwen in een kleine ruimte van 3x
- De sanitaire voorzieningen waren vies en eiseres kon haar geloof hier niet vrijelijk belijden. Daarnaast is er een groot tekort van het aantal opvangplekken, waardoor een opvangplek voor eiseres niet is gegarandeerd. Klagen hierover heeft door het tekort aan opvangplekken geen zin. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam,2 berichten van Vluchtelingenwerk Vlaanderen,3 een nieuwsartikel van NOS,4 een artikel van European Council on Refugees and Exiles5, een rapport van het Europese Migratie Netwerk6 en een bericht van het Vlaamse Rode Kruis
- Eiseres stelt voorts dat de Belgische autoriteiten nooit hebben geluisterd naar haar asielrelaas en dat zij om die reden naar Nederland is gekomen. Verder blijkt uit artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet dat de minister verplicht is om in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen die de vreemdeling naar voren heeft gebracht te beoordelen. De minister heeft dit niet gedaan. Het had op de weg van de minister gelegen om de argumenten aangehaald in de zienswijze nader te onderzoeken. De minister is daarnaast op grond van artikel 83a van de Vreemdelingenwet verplicht om een ex-nunc beoordeling te maken. Dit heeft de minister eveneens nagelaten, wat maakt dat het bestreden besluit op deze punten in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
- Ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het algemene uitgangspunt dat de minister ervan uit mag gaan dat België zijn verdragsverplichtingen nakomt.8 Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiseres aannemelijk maakt dat er dusdanig ernstige tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure zijn, dat zij bij overdracht aan België een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval dat eisers aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid 2 Rb. Den Haag 20 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
- 3 Vluchtelingenwerk 5 april 2023, ‘Rechtbank eerste aanleg Den Haag (Nederland): interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Dublin-asieloverdracht naar België in vraag omwille van opvangcrisis’. Vluchtelingenwerk 24 juni 2022, ‘Doodsbang op de stoep slapen, want ook in Belgische asielcentra is er een beddentekort’. 4 NOS 30 december 2022, ‘Asielzoekers in België vinden risicovol onderdak in Brussels kraakpand’. 5 European Council on Refugees and Exiles 6 februari 2025, ‘BELGIUM: New government presents ‘strictest migration policy ever’ — Highest number ofasylum applications for a decade — Reception crisis continues amid decrease in local accommodation initiatives — Legal Helpdesk assists 10,000th asylum applicant — Planned reduction in housing for Ukrainian refugees in Wallonia’. 6 ‘ Operational plan 2025-2026 agreed by the European Union Agency for Asylum and Belgium’, 7 Het Vlaamse Rode Kruis 14 januari, ‘Reception capacity in local reception initiatives has fallen by more than 30% since 2021 While Belgium continues to face a reception crisis, ongoing since the summer of 2021, the latest figures from Fedasil showthat the number ofplaces for asylum seekers made available by municipalities continues to decrease.’ 8 ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart
- De rechtbank oordeelt als volgt. In de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024⁹ heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. De Afdeling erkent dat sprake is van een tekortkoming in de Belgische opvangsituatie, maar is van oordeel dat de schending van opvangverplichtingen onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor eiseres is daarbij van belang dat wegens het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing van plaatsen voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. In de uitspraak van de Afdeling wordt verwezen naar een brief van 9 maart 2023 waaruit blijkt dat deze personen na registratie van hun asielverzoek onmiddellijk een opvangplaats krijgen. Eiseres heeft verder geen overtuigende nieuwe informatie overlegd die maakt dat de feitelijke uitgangspunten die ten grondslag zijn gelegd aan de uitspraak van de Afdeling inmiddels zijn gewijzigd. De bronnen die eiseres aanhaalt zijn al meegenomen in het oordeel van de Afdeling, geven geen ander beeld dan de bronnen die zijn meegenomen in het oordeel óf zijn niet van toepassing op eiseres als alleenstaande vrouw. Bovendien heeft eiseres al eerder opvang gehad en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit nu niet zo zal zijn. Verder heeft eiseres met haar stelling dat klagen zinloos is niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk is of niet effectief zal zijn. De minister heeft daarom geen aanknopingspunten hoeven zien die aanleiding geven om nader onderzoek te doen. In dit kader heeft de minister zich ter zitting op het standpunt mogen stellen dat er wel degelijk sprake is van een ex-nunc beoordeling, maar dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die tot een ander oordeel leiden.
- Ten aanzien van de stelling dat eiseres opvang heeft gehad met twee andere vrouwen in een kleine ruimte van 3x3, waar de sanitaire voorzieningen vies waren en eiseres haar geloof niet vrijelijk kon belijden en de stelling dat de Belgische autoriteiten nooit naar eiseres haar asielrelaas hebben geluisterd, wordt als volgt overwogen. De Belgische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen met inachtneming van de internationale verdragen en Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Als eiseres toch problemen ervaart, mag van eiseres worden verwacht dat zij daarover klaagt bij de Belgische autoriteiten. Bovendien zijn de stellingen onvoldoende onderbouwd, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van tekortkomingen die structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister de asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
- Eiseres stelt dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in hetgeen zij heeft aangevoerd.
- De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de minister in de door eiseres genoemde omstandigheden geen bijzondere individuele 9 omstandigheden aanwezig heeft hoeven achten die maken dat haar overdracht naar België van een onevenredige hardheid getuigt. Eiseres heeft haar verklaringen over wat haar eerder in België zou zijn overkomen niet onderbouwd en daarmee is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan België van onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast volgt uit de overwegingen hiervoor dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat eiseres bij overdracht aan België een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding van haar proceskosten krijgt. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 03 april 2025 Documentcode: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.