← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:21907

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-5453 (echtscheiding), FA RK 24-8196 (verdeling) Zaaknummer: C/09/670246 (echtscheiding), C/09/675715 (verdeling) Datum beschikking: 9 juli 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 26 juli 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. drs. R.P. Heeren te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. van den Heuvel te Arnhem. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-bericht van de man van 20 mei 2025, met bijlagen; - het F9-bericht van de vrouw van 28 mei 2025, met bijlagen. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt. Op 4 juni 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten - Partijen zijn gehuwd op [dag 1] 2011 te [plaats 1] . - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ; - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. - Bij beschikking van deze rechtbank van 9 september 2024 zijn voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende: ­ toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) aan de [adres] te [plaats 1] aan de man; ­ toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw; ­ vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de kinderen bij de man zijn: ­ de laatste drie weekenden van september 2024 op zaterdag van 12.00 uur tot 15.00 uur, waarbij de contactmomenten plaatsvinden in de omgeving van [plaats 2] ; ­ de laatste drie weekenden van oktober 2024 op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur, waarbij de contactmomenten plaatsvinden in de omgeving van [plaats 2] ; ­ tijdens drie weekenden in november 2024 (te weten: 9, 16 en 23 november 2024) op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur op een locatie naar keuze van de man; ­ vanaf december 2024: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen; ­ vaststelling van een belmoment tussen de man en de kinderen op woensdag tussen 18.30 uur en 19.00 uur; ­ vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 159,- per maand (€ 80,- per kind per maand). - Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025 is: ­ vervangende toestemming verleend aan de vader en de moeder, die de toestemming van de andere ouder vervangt, ten behoeve van de inschrijving van [minderjarige 1] op verscheidene scholen; ­ aan de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten en hierover te rapporten in onderhavige procedure. Verzoek en verweer Het verzoek strekt, na wijziging, tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat het na te zenden ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant deel zullen uitmaken van de beschikking, dan wel, indien het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd: ­ vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; ­ vaststelling van kinderalimentatie van € 321,- per maand per kind, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag; - vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, waarbij:

  1. a)de man gedurende twee maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de mogelijkheid krijgt om de echtelijke woning te [plaats 1] aan de [adres] over te nemen tegen een waarde van € 345.000,- en het saldo van het aan de hypotheek gekoppelde bankspaarsaldo aan de man toe te delen per datum van de levering van de woning, onder de verplichting van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek, waarbij de man de notariskosten op zich neemt en met vergoeding van de helft van de overwaarde van de woning door de man aan de vrouw. Indien blijkt dat de man niet binnen twee maanden de echtelijke woning kan overnemen, zal de woning worden verkocht aan een derde conform het ‘spoorboekje’;
  2. b)de auto en de inboedel aan de man worden toegedeeld, onder vergoeding van een bedrag van € 1.500,- aan de vrouw;
  3. c)de man wordt verplicht zijn medewerking te verlenen aan het ter hand stellen van de persoonlijke spullen van de vrouw en het kopiëren van de gezinsfoto’s van twee oude laptops;
  4. d)de banksaldi per peildatum bij helfte worden gedeeld en partijen hun medewerking zullen verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling of opheffing van de gemeenschappelijke bankrekening;
  5. e)het bedrag dat de man of de vrouw per saldo schuldig is aan de ander op grond van het voorgaande bij de levering van de woning zal worden betaald;
  6. f)de man in de onderlinge verhouding de schuld aan Defam volledig zal voldoen, zonder verrekening van de helft van deze schuld met de vrouw; - oplegging van de verplichting aan de man om alleen (zonder familie) naar de filmavond op de school van [minderjarige 1] op [dag 2] 2025 te gaan; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de vrouw, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; - ingeval de hoofdverblijfplaats bij de man wordt vastgesteld: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat: ­ de kinderen drie van de vier weekenden bij de vrouw zijn, waarbij de man de kinderen op vrijdag na schooltijd naar de vrouw brengt en de vrouw de kinderen op zondag na het eten weer terugbrengt naar de man; ­ de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij de kinderen door de ouder waar de kinderen dan verblijven naar de andere ouder worden gebracht; ­ elke woensdag tussen 18.30 en 19.00 uur een belmoment tussen de kinderen en de vrouw plaatsvindt; - ingeval de hoofdverblijfplaats bij de vrouw wordt vastgesteld: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat: ­ de kinderen drie van de vier weekenden bij de man zijn, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag na schooltijd naar de man brengt en de man de kinderen op zondag na het eten weer terugbrengt naar de vrouw; ­ de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij de kinderen door de ouder waar de kinderen dan verblijven naar de andere ouder worden gebracht; ­ elke woensdag tussen 18.30 en 19.00 uur een belmoment tussen de kinderen en de man plaatsvindt; - vaststelling dat de man na de beschikking tot echtscheiding twee maanden de mogelijkheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen, onder de voorwaarde van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw en uitbetaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw, bij gebreke waarvan de woning zal worden gekocht en beide partijen hieraan hun medewerking zullen verlenen; - verdeling van de gemeenschappelijke inboedel bij helfte, waarbij de koelkast, televisie, wasmachine, droger en de auto aan de man zullen worden toegedeeld; - verdeling van de banksaldi per peildatum bij helfte; - bepaling dat de vrouw aan de man of de schuldeisers de volgende bedragen moet voldoen: ­ de helft van de maandelijkse aflossingen van € 134,41 vanaf 25 juli 2024 tot de overname van de woning door de man aan de man; ­ het kindgebonden budget over 2024 ne 2025: € 698,- en € 523,- aan de man; ­ de taxatiekosten van € 397,50 aan de man; ­ de helft van de aanzuivering van de roodstand van € 500,- aan de man; ­ de helft van de schuld bij de ouders van de man van € 1.250,- aan de ouders van de man; ­ het eigen risico van € 125,77 aan de man; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling I. Echtscheiding Ontvankelijkheid Op grond van artikel 815 tweede lid Rv moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Inhoudelijke beoordeling Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De kinderen De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op de onderlinge samenhang, de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gezamenlijk te bespreken. Daarbij vindt de rechtbank het van belang om allereerst (kort) aandacht te besteden aan de ontwikkelingen en stand van zaken. In april 2024 heeft de vrouw, samen met de kinderen, de echtelijke woning in [plaats 1] verlaten en is zij bij haar vader in [plaats 2] ingetrokken. Tot op heden wonen de vrouw en de kinderen nog altijd in [plaats 2] en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan hier inmiddels ook naar school. Bij de beide kinderen is sprake van autisme, waardoor zij een bijzondere zorgbehoefte hebben. Hoewel de door de rechtbank bij beschikking van 9 september 2024 vastgestelde voorlopige zorgregeling niet is nageleefd door partijen, heeft een aantal keer een contactmoment plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. Naar aanleiding van een incident tussen de ouders, ligt het contact sinds december 2024 echter weer volledig stil. Volgens de vrouw tonen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] veel weerstand tegen het contact en komt het contact daarom niet van de grond, terwijl volgens de man het juist de vrouw is die de omgang frustreert. In de voornoemde beschikking van 22 april 2025 is (onder andere) opnieuw aandacht besteed aan de zorgregeling. Daarbij is aan de Raad verzocht om onderzoek te doen naar het contact tussen de man en de kinderen, de weerstand van de kinderen, de zorgregeling en de eventuele inzet van hulpverlening. Gebleken is dat dit onderzoek tot op heden niet is gestart. Gelet hierop is met partijen op de zitting van 4 juni 2025 besproken dat de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zullen worden aangehouden in afwachting van dit onderzoek, nu de uitkomst immers van belang is voor deze beslissingen. Voor de tussengelegen periode is op de zitting de inzet van hulpverlening door [instelling] besproken. Hoewel partijen op de vorige zitting al hadden afgesproken dat zij [instelling] zouden benaderen om hen te begeleiden bij het vormgeven van contactherstel tussen de man en de kinderen, is deze hulpverlening niet van de grond gekomen. Volgens de man weigert de vrouw haar medewerking; volgens de vrouw wil [instelling] zich niet in de casus mengen, omdat er een procedure aanhangig is en de Raad een onderzoek gaat doen. Op de zitting is opnieuw het belang van spoedig contactherstel benadrukt en daarbij ook de inzet van [instelling] . Om een herhaling van zetten te voorkomen, wenst de rechtbank hierbij uitdrukkelijk op te nemen dat: de man en de vrouw zich beiden opnieuw zullen wenden tot [instelling] ; met het verzoek aan [instelling] om partijen te begeleiden bij het vormgeven van contact tussen de man en de kinderen, waarbij dit contactherstel zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden; - en waarbij niet de uitkomst van het raadsonderzoek of een beslissing van de rechtbank hoeft te worden afgewacht. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich aan deze afspraak zullen houden en dat [instelling] hieraan zal meewerken, gelet op de voorgaande, expliciete overweging. Filmavond Door de moeder is daarnaast verzocht om de vader te verbieden om familieleden mee te nemen naar de filmavond op de school van [minderjarige 1] op [dag 2] 2025. Deze filmavond is voor hem het afscheid van de basisschool. Het is voor [minderjarige 1] al spannend, maar de aanwezigheid van vader verhoogt deze spanning. Hoewel de vrouw begrijpt dat de vader hierbij aanwezig wil zijn en dit ook al met de school is besproken, vindt zij het onwenselijk indien de vader hierbij familieleden meeneemt die [minderjarige 1] al lange tijd niet hebben gezien. Dat zal tot teveel stress leiden en dat is op deze belangrijke, memorabele avond niet in zijn belang. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval beter is wanneer de vader zonder familieleden naar de afscheidsavond komt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man de wens heeft om ook het contact tussen de kinderen en zijn familie te herstellen, is de filmavond daarvoor niet het geschikte moment. Zoals ook door de Raad op de zitting is benoemd, is [minderjarige 1] erbij gebaat om zijn spanning zoveel mogelijk te reduceren, temeer omdat hij door zijn kindeigen-problematiek kwetsbaarder is en ook het contact met de vader opnieuw opgestart zal moeten worden. De rechtbank zal het verzoek van de moeder, dat de rechtbank begrijpt als een verzoek gestoeld op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) daarom toewijzen. Kinderalimentatie Hoewel uit het voorgaande volgt dat de beslissingen omtrent de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zullen worden aangehouden, zal de rechtbank wel de kinderalimentatie berekenen. Zij neemt daarbij de huidige situatie, waarbij de kinderen bij de vrouw verblijven en het contact via [instelling] hopelijk zo spoedig mogelijk weer wordt opgestart, als uitgangspunt. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat in voorlopige voorzieningen een voorlopige kinderalimentatie is vastgesteld en de man daarmee heeft voldaan aan zij onderhoudsplicht. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2023 als uitgangspunt nemen, omdat dit het laatste jaar was waarin partijen volledig hebben samengewoond. Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van zijn bruto inkomen over 2023 van € 40.508,-. Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.700,- per maand. De vrouw werkte gedurende het huwelijk niet, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen in 2023 € 2.700,- per maand bedroeg. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 265,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 641,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 725,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht van de vrouw Evenals tijdens het huwelijk heeft de vrouw op dit moment geen inkomen. Hoewel door de man is gesteld dat de vrouw een inkomen kan gaan genereren en dus een verdiencapaciteit heeft, zal de rechtbank hem hierin niet volgen. Gebleken is dat de vrouw tijdens het huwelijk nimmer heeft gewerkt. Bij de vrouw is daarnaast sprake van fibromyalgie, waardoor zij door haar fysieke klachten niet in staat is om langdurig te werken. De vrouw heeft daarnaast de zorg voor twee kinderen, die vanwege hun problematiek een bijzondere zorg vragen. Naar oordeel van de rechtbank ligt het daarom – zelfs indien de vrouw (beperkt) zou gaan werken, niet in de lijn der verwachting dat de vrouw meer zal gaan verdienen dan de minimale draagkracht van € 50,- per maand waar zij nu van uit is gegaan. De rechtbank zal deze minimale draagkracht aan de zijde van de vrouw daarom als uitgangspunt nemen. Draagkracht van de man Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.520,-, exclusief vakantiegeld, zoals dat volgt uit zijn loonstrook van april 2025. De rechtbank houdt verder rekening met: de pensioenpremie van € 157,- per maand; de premie WGA-hiaat van € 8,- per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.965,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank daarnaast rekening houden met de aflossingen die de man doet op gezamenlijke schulden van partijen. Dit betreft een aflossing van een lening bij Defam, waarop € 266,- per maand wordt afgelost en een schuld bij de belastingdienst waarop € 65,- per maand wordt afgelost. De laatstgenoemde schuld is per 30 augustus 2025 volledig afbetaald. De rechtbank zal daarom twee berekeningen maken: één waarin wel rekening is gehouden met de aflossing bij de belastingdienst voor de maanden juli en augustus 2025 en een draagkrachtberekening zonder deze schuld, ingaand vanaf 1 september 2025. In de eerste periode kan zijn draagkracht dan als volgt worden berekend. Omdat het NBI van de man is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310 + € 331). De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 2.965 – (€ 890 + € 1.310 + € 331)] = € 304,- per maand. Voor de tweede periode wordt gerekend met dezelfde formule, maar met een extra last van € 266,- per maand. Dat leidt tot de volgende draagkracht: 70% x [€ 2.965 – (€ 890 + € 1.310 + € 265)] = € 349,- per maand. Totale draagkracht De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk respectievelijk € 304,- en € 349,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 354,- (periode I) € 327,- (periode II) per maand. Zorgkorting Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld minder dan een dag per week de zorg heeft voor de kinderen, maar er wel belcontact plaatsvindt en het contact zo spoedig mogelijk weer moet worden gestart, neemt de rechtbank voor de zorgkorting een percentage van 5. De zorgkorting bedraagt dan € 36,- per maand (5% van € 725,-). Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bijdrage door de man Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is gelet op het voorgaande gelijk aan zijn draagkracht. Dat betekent dat hij in de periode juli en augustus 2025 een bedrag van € 304,- per maand (€ 152,- per kind per maand) aan kinderalimentatie zal voldoen en vanaf 1 september 2025 een bedrag van € 349,- per maand (€ 175,- per kind per maand). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot deze bedragen toewijzen en voor het overige afwijzen. Afwikkeling huwelijksvermogensregime Gemeenschap van goederen Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld. Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 26 juli 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Omvang Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening; de inboedel van de echtelijke woning, inclusief de auto; verscheidene bankrekeningen; verscheidene schulden. Ad
  7. a)Tot de gemeenschap behoort allereerst de echtelijke woning te [plaats 1] en de daaraan gekoppelde hypotheek. De man wil de woning graag overnemen. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Partijen hebben daarbij ook overeenstemming over de waarde waarvoor de man de woning mag overnemen, te weten: de getaxeerde waarde van € 345.000,-. Aan de man zal daarbij een termijn van twee maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand worden gegeven om aan te tonen dat hij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien de man hierin niet slaagt binnen deze termijn, zal de woning worden verkochte aan een derde. De rechtbank zal gelet op het voorgaande ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde polissen en hypotheek de wijze van de verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde ‘spoorboekje’. Ad
  8. b)Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel van de echtelijke woning en de auto. Zowel de inboedel als de auto zullen worden toegedeeld aan de man, met uitzondering van de persoonlijke spullen van de vrouw. Dit betreffen een knuffelbeertje en sieraden. De vrouw zal daarnaast in de gelegenheid worden gesteld om de foto’s van twee oude laptops op een eigen gegevensdrager over te zetten. De man zal in het kader van overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 1.000,- voldoen. De rechtbank zal deze overeenstemming vastleggen. Ad
  9. c)Door partijen zijn de volgende bankrekeningen naar voren gebracht: een bankrekening bij ING (eindigend op [rekeningnummer 1] ) op naam van de man; een bankrekening bij ING (eindigend op [rekeningnummer 2] ) op naam van partijen gezamenlijk; een bankrekening bij de Rabobank (eindigend op [rekeningnummer 3] ) op naam van de vrouw; een bankrekening bij ING (eindigend op [rekeningnummer 4] ) op naam van partijen gezamenlijk; een bankrekening bij ING (eindigend op [rekeningnummer 5] ) op naam van de man. Gebleken is dat de twee laatstgenoemde bankrekeningen inmiddels zijn opgeheven, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen. Ten aanzien van de rekening onder ii. zijn partijen overeengekomen dat de man deze zal voortzetten. De bankrekeningen onder i. en iii. zullen op de naam van degene blijven op wiens naam ze nu zijn gesteld, onder verrekening van de helft van de saldi per peildatum (26 juli 2024). Ad
  10. d)Tot slot omvat de huwelijksgoederengemeenschap van partijen een aantal schulden. Schuld Defam Dit betreft allereerst een schuld bij Defam. De man is bereid om de afbetaling van deze schuld volledig op zich te nemen, onder vrijwaring van de vrouw. De voorwaarde daarbij is echter wel dat hij hiertoe enkel bereid is, zolang er rekening mee wordt gehouden in het kader van de kinderalimentatie, zoals nu het geval is. Op het moment dat de draagkracht van de man onverhoopt wegvalt, zal deze afspraak opnieuw moeten worden beoordeeld. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Omdat de afspraak zich niet leent voor een opname in het dictum, zal de rechtbank volstaan met de voorgaande weergave in het lichaam van deze beschikking. Lening bij de ouders van de man Daarnaast zijn partijen een schuld aangegaan bij de ouders van de man. Hoewel door de vrouw is betwist dat sprake is van een lening, volgt uit door de man overgelegde stukken naar oordeel van de rechtbank voldoende dat partijen de schuld zijn aangegaan en dat sprake is van een gemeenschapsschuld. De rechtbank zal daarom bepalen dat – conform het uitgangspunt uit artikel 1:100 BW – de man en de vrouw beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld. In hun onderlinge verhouding geldt dat de man en de vrouw beiden de helft van de schuld bij de ouders van de man voor zijn/haar rekening dient te nemen. Overige vorderingen Eigen risico Door de man is verzocht om te bepalen dat de vrouw gehouden is om het bedrag aan eigen risico dat hij voor de vrouw heeft voldaan, aan hem terug te betalen. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw dit bedrag volledig aan de man moet terugbetalen. Het gaat immers om een schuld die na de peildatum (en aldus na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap) is ontstaan. Het betreft daarmee een privéschuld van de vrouw, die door de man is voldaan. Anders dan door de vrouw is gesteld, is de man niet gehouden om kosten van het eigen risico van de vrouw te voldoen. Uit de afspraak tussen partijen dat de man gedurende de echtscheidingsprocedure de zorgpremie voor de vrouw voldoet, kan niet worden afgeleid dat hieronder ook het eigen risico valt. Daarnaast geldt dat partijen weliswaar tot aan de echtscheiding gehouden zijn op elkaar het nodige te verschaffen, maar naar oordeel van de rechtbank vallen hieronder niet de kosten die gemoeid zijn met het eigen risico bij een zorgverzekering. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen. Kindgebonden budget Tussen partijen is niet in geschil dat gedurende het huwelijk de man het kindgebonden budget op zijn bankrekening ontving. Na het feitelijk uiteengaan van partijen heeft hij dit steeds doorgestort aan de vrouw. De vrouw heeft daarnaast zelfstandig kindgebonden budget aangevraagd. Dit heeft ertoe geleid dat de belastingdienst een terugvordering heeft gedaan bij de man voor ten onrechte ontvangen kindgebonden budget. Het betreft een bedrag van € 698,- over 2024 en € 523,- over 2025 (in totaal: € 1.221,-). Hoewel de vrouw erkent dat zij de bedragen van de man heeft ontvangen, stelt zij dat deze inmiddels zijn opgesoupeerd aan kosten voor de kinderen. Van haar kan daarom niet worden verwacht dat zij de bedragen terugbetaalt aan de man. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft in de afgelopen periode ten onrechte teveel kindgebonden budget ontvangen, zowel dat van haarzelf, als wat is doorgestort door de man. Feitelijk is daarmee een schuld van de vrouw bij de man ontstaan. De vrouw wist dat zij dubbel kindgebonden budget ontving. Had de man het ten onrechte ontvangen kindgebonden budget niet overgemaakt naar de vrouw, dan had hij de terugvordering vanuit de belastingdienst direct kunnen voldoen. Er is derhalve geen sprake van een gemeenschapsschuld, maar van een schuld van de vrouw aan de man. De vrouw is daarom gehouden om het volledige bedrag van € 1.221,- te voldoen aan de man. Roodstand bankrekening Op de inmiddels opgeheven bankrekening bij de ING-bank, eindigend op [rekeningnummer 4] hadden partijen een negatief saldo van € 1.000,-. Voor het beëindigen van de rekening in augustus 2024 heeft de man deze roodstand aangezuiverd. Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat het negatieve saldo al voor de peildatum bestond, zodat partijen beide aansprakelijk zijn voor deze schuld. Nu de man de schuld volledig heeft voldaan, heeft hij een regresvordering op de vrouw ten bedrage van € 500,-. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen. Bankspaarrekening De man heeft tot slot gesteld dat hij een vordering heeft op de vrouw in het kader van de door hem betaalde premie voor de bankspaarrekening bij de hypotheek. Het betreft een bedrag van € 268,- per maand. Voor de per peildatum (26 juli 2024) door de man betaalde inleg, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank een vordering op de vrouw. De rechtbank zal aldus bepalen dat de vrouw gehouden is om de helft van de maandelijkse inleg (te weten: € 134,- per maand) te betalen per de peildatum. Partijen hebben hierover op de zitting afgesproken dat dit bedrag in mindering zal worden gebracht op het aandeel van de vrouw in de overwaarde bij de overdracht van de woning. Beslissing De rechtbank: spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag 1] 2011 te [plaats 1] ; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ; in de periode juli en augustus 2025 van € 304,- per maand zal betalen en vanaf september 2025 van € 349,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat de man geen familieleden mag meenemen naar de filmavond op de school van [minderjarige 1] op [dag 2] 2025; stelt de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(
  11. en)en polis(sen): 1. de woning wordt toegedeeld aan de man voor een waarde van € 345.000,- op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
  12. a)de man binnen twee maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
  13. b)de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(
  14. en)ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
  15. c)de kosten van de notariële overdracht worden door de man voldaan, de kosten van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek door de vrouw;
  16. d)partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; 2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
  17. a)partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan een gezamenlijk te benoemen makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
  18. b)de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(
  19. en)ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
  20. c)partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor het overige als volgt vast: - aan de man wordt toegedeeld: ­ de inboedel van de echtelijke woning en de auto, met uitzondering van de persoonlijke spullen van de vrouw en onder vergoeding van een bedrag van € 1.000,- aan de vrouw; ­ het saldo op de bankrekening bij de ING-bank, eindigend op [rekeningnummer 1] , onder vergoeding van de helft van het op de peildatum aanwezige saldo aan de vrouw; ­ het saldo op de bankrekening bij de ING-bank, eindigend op [rekeningnummer 2] , een ander zonder nadere verrekening; - aan de vrouw wordt toegedeeld: ­ de persoonlijke spullen van de vrouw, te weten: een knuffelbeertje, sieraden en een kopie van de foto’s op twee oude laptops; ­ het saldo op de bankrekening bij de Rabobank, eindigend op [rekeningnummer 3] , onder vergoeding van de helft van het op de peildatum aanwezige saldo aan de man; bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld bij de ouders van de man voor zijn/haar rekening dient te nemen; bepaalt dat de vrouw gehouden is het door de man betaalde eigen risico van € 126,- aan hem te voldoen; bepaalt dat de vrouw gehouden is het door de man teveel ontvangen bedrag aan kindgebonden budget van € 1.221,- aan hem te voldoen; bepaalt dat de man ter zake de schuld op de bankrekening bij de ING-bank, eindigend op [rekeningnummer 4] een regresvordering heeft op de vrouw van € 500,-; stelt vast dat de man jegens de vrouw een vergoedingsrecht heeft inzake de aan de hypotheek gekoppelde bankspaarrekening voor een bedrag van € 134,- per maand vanaf 26 juli 2024 tot en met de overdracht van de echtelijke woning en dat dit vergoedingsrecht voor het eerst opeisbaar is bij de overdracht van de woning; verklaart deze beschikking, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt iedere verdere behandeling van de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan tot 1 september 2025, uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht, zoals gelast in de procedure met zaaknummer C/09/678671 / FA RK 25-359 met kopie aan beide partijen en hun advocaten; bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen; bepaalt dat ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming; beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op een zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen. Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.